INLEIDING: DE PERSOON (1932-2008).
Voor de man waarvan ik nu de boeken doorneem, heb ik als kerkhistoricus in het beleid een wisselende bewondering. Op schrift vind ik hem helder.
Ik kwam uit de opleiding Middeleeuwse geschiedenis van de UVA, en ons eerste gesprek ging natuurlijk over kerkgeschiedenis. Hij was zeer openhartig, en zei iets in deze strekking: "Ik ben ten aanzien van de Katholieke Universiteit van Nijmegen een fan van de geschiedschrijving van Rogier
, en niet van Post!" (hiernaast beiden op foto). Voor degene die deze zin theoretisch niet snapt, verklaar ik die nader: "Ik let op grote lijnen, en niet (alleen) details!" De latere keren dat ik met hem over kerkgeschiedenis heb gesproken, kwam die liefde voor de historische methode van Rogier (1894-1974) altijd weer naar voren. Ook in zijn boeken kon ik dit terugvinden. Ja zélfs, als hij Rogier als een voorloper van de rebellie van de jaren ’60 beschouwde; iets wat maar ten dele waar was…
Tot slot had hij waardering voor de doctoraalscriptie van mijn tweede broer, die over de Moderne Devotie ging. Dat was zonder meer een pluim want als Jo Gijsen rond zijn 40e jaar in 1972 geen Bisschop was geworden, had hij zijn Habilitationstitel – de toestemming om op een universiteit te doceren – gehaald bij de reeds aangehaalde Iserloh. Over de laatste heb ik reeds gezegd, dat hij volgens mij de grootste kerkhistoricus van de 20e eeuw was.
Ik kan me echter een fundamentele fout herinneren die de persoon van Gijsen ten zeerste typeert, en waar voor mij de grens lag in de acceptatie. Ik vroeg en vraag me nog steeds af, of Paredis die karaktereigenschap óók had: het niet kunnen erkennen van zijn ongelijk! En ik móet die vermelden, want we moeten uiteindelijk tot een vergelijking met zijn alter ego Paredis (1795-1886) komen: de Bisschop was b.v. niet alleen Bisschop in de geest van Paredis, maar ook docent. In de praktijk kwam het er op neer, dat als men kritiek had op de wetenschapper, deze wetenschapper dit als een kerkpolitiek gezagsverlies opvatte. Ik zal het voorbeeld geven:
Want hij beweerde b.v.in 1983 bij hoog en laag, dat van de Nederlandse Bisschoppen alléén Paredis naar het Eerste Vaticaans Concilie (1869-1871) was geweest. Maar een litho in het boek
van Rogier "In Vrijheid Herboren (1853-1953)" pag. 139 (1953) weersprak dit, terwijl de historicus J.M. Gijsen beweert dit boek veelvuldig te raadplegen. De aanvulling ontbrak in het boek van Rogier, maar kwam nota bene bij de verfoeide (nauwkeurige) Professor R. Post in de beschrijving van het artikel "Nederlanders op Algemene Concilies" (Vriendengave Berdinardus Kardinaal Alfrink, 1964, 153-173, m.n. 165); er waren namelijk drie Nederlandse- en vier Nederlandse missiebisschoppen op Vaticanum I. En van Paredis was geen sprake omdat hij gezien zijn leeftijd en vanwege gezondheidsredenen uiteindelijk afzag van de reis. Ofschoon hij oorspronkelijk als aangemeld vermeld staat. Het allermooiste van dit verhaal is, dat Gijsen dit in 1968 (dus ongeveer 15 jaar eerder) in zijn studie over "Paredis" nog heeft onderschreven
(Paredis, 336;J.D MANSI, Sacrorum Conciliorum Nova et Amplissima Collectio LIII (3a ed., Graz 1961).
En laat nu nét in diezelfde week in 1983 de kerkhistoricus en toenmalig journalist Ton van Schaik in het "Katholiek Nieuwsblad" iets over Gijsen publiceren. Het is een reactie op Gijsen op diens eerste publicatie van Mariënburgverening "Getuigen van de Geest die in ons leeft" (1983). Van Schaik zou ongeveer als volgt bekritiseren. Want men zou volgens de Bisschop een verkeerde "onderscheiding der geesten" maken: "Snap jij nu, waarom die man kerkhistoricus is?" Dit alles werd door de Bisschop kerkpolitiek geïnterpreteerd; een Bisschop die wetenschappelijk verstandig is houdt zich afzijdig van andere zaken dan kerkpolitiek, en als hij dat niet doet worden die andere zaken daarvan doordrongen. En ook nú vraag ik me af, of de alter ego niet diplomatieker was. Volgens de onderstaande opsomming van karaktereigenschappen van Paredis, die Gijsen zélf bij elkaar heeft gezet, was dit het geval.
Als ik zeg, dat we hier over de "alter ego" van Gijsen spreken, dan gaat het ook over de wijze waarop Paredis mensen op Rolduc wilde opvoeden; het was immers ook een ideaal van Paredis om katholieken in alle maatschappelijke lagen te vormen middels onderwijs en katholieke kranten (Paredis, 73, 133-134, 326, 424, e.a.).
In de vergelijkbare traktaten van Gijsen over de 19e eeuw en zijn alter ego, sprak hij dit zonder veel voorbereiding voor de klas, werden die uitgetypt door leerlingen of mensen op het Bisdom, en dát was examenstof. Het ging hem inderdaad niet om details, maar hij wilde zijn studenten de grote lijn bijbrengen dat de 19e eeuw op dezelfde wijze zou zijn verlopen als de 20e eeuw. In het bijzonder in de persoon en het beleid van de alter ego. Voor wie mij niet kan geloven
, raad ik aan mijn archief in het Katholiek Documentatie Centrum te raadplegen. En men zal bespeuren, dat er geen andere visie werd geaccepteerd. Dít was geen kerkgeschiedenis meer, maar ideologie of een theologische visie in de geest van zijn leermeesters H. Jedin (1900-1980) en E. Iserloh (1915-1996).
Maar dan moeten we ook zoeken naar de bron van deze ideologie, namelijk zijn grote studie over de 19e eeuw over Paredis: Joannes Augustinus Paredis 1795-1886 Bisschop van Roermond. En het Limburg van tijd, Assen: van Gorcum en Comp. N.V., Dr. H.J. Prakke en H.M.G. Prakke 1968.
.
Tot slot vermeld ik, dat ik me niet baseer op boeken van Richard Auwerda (1973) of Rex Brico (1987) e.a. over Jo Gijsen. Het is een journalistieke visie die daarin naar voren komt, die geen recht doet aan ook de kwetsbaarheid van Jo Gijsen als historicus. Want de Bisschop is communicatief in de media niet sterk, en dat mag men voor het beeld over hem niet misbruiken. Mijn mening is, dat we zijn eigen geschriften daarvoor moeten gebruiken.
Gijsen had b.v.voor een bundel van Rex Brico uit 1987 over de periode 1972-1987 twee gesprekken zonder datum met de auteur (pag. 12-18 s.a. en 93-106 s.a.). Maar hij had kunnen leren van de spirituaal van zijn Groot-Seminarie! Want Penning de Vries s.J. had op 14-4-1973 naast Brico zelf ook vermoedelijk het gehele gesprek overgenomen, en heeft later in 1978 (Geestelijke leiding vandaag, 199-205) in een volledige weergave van het gesprek precies aangegeven wát Brico in een voorbeschouwing in Elseviers had weggelaten. Dit moet volgens mij de reden zijn, waarom het gesprek met Penning niet is opgenomen in Brico’s bundel "Af en toe een oase: gesprekken met profeten, prelaten en andere wegbereiders 1972-1987" over de aangegeven periode van 1972-1987. Maar die van de in dit opzicht naïeve Jo Gijsen, – die anders zo achterdochtig kan zijn -, zijn wél opgenomen.
Ik moet een korte inleiding geven, die van essentieel belang is voor het verstaan: Vanaf de 16e eeuw bestaat er een Mechelse Kerkprovincie, waarvan de huidige Zuidelijke Nederlandse Bisdommen ook de invloed ondergingen. Kerkpolitiek betekent dit een homogene katholieke streek. Bóven die streken is in de Republiek sprake van een Zending, een "Hollandse Zending". Die Zending heeft vanuit het oogpunt van de Europese kerkgeschiedenis in de volstrekt unieke situatie verkeerd, dat andersdenkenden werden toegestaan. In het begin moet men daar niet te veel achter zoeken, maar met name vanaf de 18e eeuw speelt dit in de gemeenschappelijke Nederlanden een hele bepalende rol: als het namelijk om godsdienstvrijheid ging sprak het homogene Zuiden een volstrekt andere taal, dan het pluriforme Noorden. Voor mij is dat ook een van de redenen, dat iemand als Wilders uit Venlo moet komen; hij heeft nooit met pluriformiteit leren leven, en mensen in het Westen wél!
DE BISSCHOP EN ZIJN ALTER EGO: HET MOTIEF VAN DE DUBBELGANGER.
In de moderne literatuur is het motief van de "dubbelganger" bekend. Ik kwam het voor het eerst tegen in "Tranen der acacia’s" (1949) en de "Donkere kamer van Damokles" (1958) van Willem Frederik Hermans (1921-1995), maar het thema komt waarschijnlijk het eerste voor in een boek van F. Dostojewski (1821-1881) met de gelijknamige titel "Dubbelganger" uit 1846. Daarin is de oorspronkelijke persoon altijd het ideaal, waaraan de tweede persoon niet kan beantwoorden. In 1963 is het laatste boek van Hermans door Fons Rademakers verfilmd in "Als twee druppels water"; en ik stel hieronder op basis telkens de vraag: is er tussen Paredis en Gijsen sprake van twee druppels water?
Ik moet aan het thema "dubbelganger" nog toevoegen, dat iedere vorm van context waardoor dit verklaard kan worden, ontbreekt; het motief "dubbelganger" is dus volkomen a-historisch, omdat de historicus alleen in grote lijnen dreigt te denken, en de details die die grote lijnen kunnen veranderen over het hoofd ziet. Laten we eens in grote lijnen samenvatten, hóe Jo Gijsen zijn alter ego typeert, en – wat hijzelf noemt – interpreteert (Paredis, 52):
-Paredis heeft een openheid naar alle groeperingen (73). Dit heeft Mgr. J. Gijsen niet. Het is een angstige, schuwe man, die alleen mensen op dezelfde golflengte in zijn omgeving accepteert.
- Paredis heeft agrarische degelijkheid, noeste vlijt, eenvoud en ernst, gemakkelijke omgang met mensen, met mensen van iedere stijl en stand, aandacht voor onderwijs en cultuur, alomvattend religieus denkkader, etc.. (78). Hierin zien we het idealiseren van de dubbelganger. Want Gijsen kwalificeert dit alles als positief, maar kan hieraan zélf nooit volledig beantwoorden.
- Paredis is conservatief. Hij zweert bij een maatschappelijke orde, zoals van vóór de Franse Revolutie, waarin kerkelijke dwalingen ("de error non habet ius") niet getolereerd werden. Gijsen vermeldt echter, dat Paredis níet zo conservatief was als de Bisschop van Gent, Mgr. M. de Broglie (1766-1821), die ook de invloedsferen van de Mechelse Provincie en ook Rome kende. Die wilde volledig terugkeren naar het Oude Regime, en een wereld met twee machten; wereldlijk en geestelijk. Ofschoon Gijsen ook in zusterskloosters (sic!) de invloedrijke revolutie van 1968 heeft meegemaakt, was hij op politiek gebied minder duidelijk. Het was wel opvallend, dat hij het boekje van Pater J. Bots s.J. over de "Nieuwe Elite in de Kerk" benadrukte.
- Paredis is dan ook een volstrekte tegenstander van het uitbannen van de religie. Zijn conservatisme op dit punt ligt dus geheel in de lijn van de Romantiek en Restauratie in de R.K. van de 19e eeuw. Gijsen komt hierin overeen, omdat hij aan een verlichte moderne stroming van het Nederlands katholicisme wezenlijk tegengas gaf. En hij ziet in de 19e eeuwse Restauratie een voorloper van de ontwikkeling van de R.K. Kerk in de tweede helft van de 20e eeuw. Hij wordt benoemd in een periode van Rationalisme, maar zet reeds spoedig een tijdperk van Restauratie in.
- Bisschop Paredis kent totaal geen (politieke?) partijdigheid (103). Dit ontbeert Gijsen. Hij kan volstrekt niet samenwerken, als mensen het niet met hem eens zijn. Hij kan dan verwijzen naar Paredis, die ook niet kon samenwerken met zijn Noordelijke Bisschoppen (294-295, 326 e.a.). Maar Gijsen heeft Paredis beschreven als een man van dialoog, die ongetwijfeld anders met de uitkomst van b.v. de Bijzondere Synode van januari 1980 zou zijn ongegaan.
- Bisschop Paredis houdt zich niet met politieke zaken bezig (106). Bij Gijsen is dit wél het geval, als het om morele zaken gaat. We moeten dan in zijn beleidsperiode denken aan "abortus", "oorlog en vrede", het beleid van R.K. ziekenhuizen. Het is in dit kerkpolitieke kielzog, dat Wim Eijk de volledige ruimte kreeg om zijn proefschrift te schrijven.
- Bisschop Paredis heeft een onvoorwaardelijke trouw aan de conservatieve Paus Pius IX (1792-1878), en met name de Syllabus van 1864 (407). Die trouw is ook bij Gijsen het geval. Zijn grootste probleem is dan ook, dat Johannes Paulus II (1978-2005)
hem buitenspel zette in de uitwerking van de Bijzondere Synode van januari 1980. En ook zijn fundamentele fouten in het beleid op het Groot-Seminarie Rolduc. Het inzicht was helder: de Nederlandse polarisatie zou bij verdergaande handhaving in Nederland geëscaleerd zijn, een gegeven dat de Paus ook in Oostenrijk en Zwitserland heeft toegepast.
- Paredis zet zich volledig af t.o.v. de vrucht van de Verlichting, het 19e eeuwse Liberalisme. Met name in zijn streven naar katholieke pers en katholiek onderwijs, te beginnen met Rolduc . Ook met de liberale katholieken is geen compromis mogelijk. Dit geldt ook voor Gijsen, maar die zal niet de diplomatie van Paredis hebben. Gijsen zal wél één grote historische lijn trekken vanaf de Verlichting, het 19e eeuwse Liberalisme en de kerkelijke rebellie in de jaren ’60 in de de R.K. Kerk in Nederland.
- Paredis heeft een nuchter geloof, en geen wetenschappelijk (294-295, e.a.). Daarin onderscheidt hij zich t.o.v. zijn Noordelijke collegae, die hij sinds 1853 ("Kromstaf") als Bisschop kent
. De 4 Noordelijke Bisschoppen hebben trouwens een totaal andere
toenadering tot het meer Protestante Liberalisme, omdat die "De proeftijd der pariteit" (Rogier, Vriendengave Berdinardus Kardinaal Alfrink, 1964, 174-200) mogelijk maakte; katholieken in het Noorden hebben vanaf de 18e eeuw veel te danken aan de Liberale Protestanten, en die namen een totaal andere positie in dan de katholieke Liberalen in de gebieden rond de voormalige Mechelse Kerkprovincie. Dus als Paredis en de Noordelijke Bisschoppen tot op deze periode een andere visie hebben, is dat geheel logisch; de sociaal-ethische positie van de katholieke- of protestante liberalen was totaal anders. De veranderingen kwamen pas in de jaren ’60 van de 19e eeuw.
- Paredis heeft een diep geestelijk leven, en stimuleert iedere vorm van geestelijk leven en meditatie (112, 336, 370, 432-452, e.a.). Dat heeft Gijsen ook, en het gemeenschappelijke is verder dat ze dit in hun omgeving stimuleren. Gijsen is als intellectueel ook in volksdevoties nadrukkelijk aanwezig. Een gegeven, dat zonder meer door het Meertensinstituut kan worden bestudeerd.
- Gijsen spreekt niet over de seksualiteit van Paredis of anderen, net zo min als hij dat over zijn eigen intieme leven doet. En dat is opmerkelijk, want een mens is niet alleen spiritualiteit. De autobiografie van Lodewijk van Deyssel (1864-1952) over Rolduc, "De kleine Republiek" (1889), spreekt toch heel nadrukkelijk over homoseksualiteit op Rolduc. En ik kan er uit persoonlijke ervaring aan toevoegen, dat dit ook in de tijd van Gijsen aanwezig kon zijn. Oók trouwens op het Bisdom.
- Paredis heeft geen geloofstwijfels (113). Gijsen ook niet. Hij heeft zelfs een katechismus met de naam "Zekerheid en Vrede" (1978) geschreven. In zijn lessen kerkgeschiedenis voegde hij eraan toe, dat "eenheden in de theologische systematiek" altijd een uiting waren van orthodox geloof. Maar we moeten voor het boek van Gijsen wel opmerken, dat hij het "halve Vaticanum II" citeerde. En hij gaf niet aan, dat dit Vaticanum II toch écht uit twee verschillende stromingen bestond; of dat men in de ontwikkeling van de concilies de aanwezigheid van de eenheid van de H. Geest zou kunnen ontdekken.
- Paredis is een "Zielzorger in stad en land van Roermond van 1821-1840" (116), en zal de pastorale zorg in zijn beleid centraal stellen. Dit kán Gijsen volstrekt niet! Hij leidt een seminarie op voor kapelaans, maar heeft zelf slechts twee jaar in de pastoraal gestaan. Hij had dus een duidelijke rede, om in de "luwte" te werken. Toen ík echter een brief van artsen van een universitaire kliniek van de RUL liet lezen dat het medisch verstandiger was als ik óók in de "luwte" mocht werken, moest ik buiten de Kerk gaan werken. Dit is egocentrie, en misschien is dit wel dé karaktertrek waarin hij het meest van zijn "alter ego" verschilt. Want hoe kan men een ander dwingen, wat je zelf ook niet hebt gekund en waar een milde rechtsinterpretatie door een meerdere past ("nemo potest ad impossibele obligari")? Het kan alleen, als men het recht uitsluitend vanuit de rechtsleer (1025,2, 1040-1049) benadert. Ik raad u aan, om voor dit punt het stuk over rechtsinterpretatie en rechtsleer te herlezen, want dit raakt de actualiteit van het moderne kerkelijk recht.
- Paredis wordt door Gijsen beschreven als de Bisschop, die uiteindelijk tóch het gelijk van zijn veel meer onderlegde Noordelijke Bisschoppen krijgt (294-295, 418-419, 424, e.a.). Op het moment voert Jo Gijsen in 2008 een "kruistocht" in het Limburgse land, om vooral maar duidelijk te maken dat dit ook voor hém zal gelden. Want hij geeft lezingen
(zie foto) over het boek over Paredis, en de strekking is dat de Noordelijke Bisschoppen hem uiteindelijk toch wel gelijk gaven…….Het punt dat de Bisschoppen elkaar begonnen te vinden – de onderwijswet van 1868 – is een gegeven dat Gijsen als Limburger alleen van de kant van Limburg bekijkt, maar niet het Noorden (109-110,326-327, 418-420, 424 e.a.). De uitbouw van onderwijs en sociale ethiek zijn er in het Noorden zonder meer gekomen, maar dán met name van de kant van religieuzen (s.J., S.C.J., Carmelieten, Jezuïeten, S.C.J., O.F.M., e.a.) en niet de diocesane clerus zoals in het Zuiden. Samenvatting:
1. Dan gaat het bij Paredis om een zeer katholieke man, die geboren is in de periode van revolutie van de 18e eeuw, en geheel gevormd is in de restauratieve periode ná het Congres van Wenen (1815). Het restauratieve uit zich vooral in zijn onvoorwaardelijke trouw aan een conservatieve Paus, als ook zijn keuze voor een geheel duidelijke katholieke opvoeding en spiritualiteit. Daarbij heeft de oprichting van katholieke scholen
een centrale rol gespeeld. Opvallend is echter het gegeven, dat hij andere mensen om zich heen de ruimte kan gunnen; daarin onderscheiden de Gijsen en zijn alter ego zich.
2.De wezenlijke reden van het verschil van mening tussen Paredis en zijn Noordelijke Bisschoppen was in eerste instantie een sociaal-ethische kwestie. En de wezenlijke reden van het conflict tussen Jo Gijsen en zijn Noordelijke collegae was en is zijn onverdraagzame karakter geweest.
3. Jo Gijsen heeft vrijwel niets aan pastoraal gedaan, en over de twee jaar die hij in Valkenburg zou hebben doorgebracht gaan roddels over pedofilie. Een gegeven dat moeilijk valt te traceren is, en dat terwijl de bronnen van Paredis met enige problemen geheel na te trekken zijn maar die van Gijsen niet; in de extra Bisdomkrant van Roermond bij gelegenheid van zijn 25-jarig priesterfeest (1982), staan mooie kleurenfoto’s die bewust gekozen zijn door de perschef maar niets over de openheid.
4. Gijsen heeft in feite zijn leven lang gestudeerd, voordat hij Bisschop werd. Vanuit die achtergrond heeft hij een enorme kennis van de overgang van de 18e-19e eeuw (36-45), en daarmee komen we precies in de lijn van de analyses van Ratzinger
. Maar Paredis is de man van de pastoraal. Het is wél waar, dat het geestelijk leven in beide personen voorkomt. En dat dit in beide perioden voorkomt dat het geen "mode" was om te geloven. Maar de één dwong andere mensen te doen, wat hijzelf in zijn priesterschap vrijwel nauwelijks had gedaan. En de ándere liet naast zijn eigen levenskeuze als priester andere priesters de ruimte, om andere keuzes te doen. Bijvoorbeeld in het onderwijs. In het dwingen van de persoon van Gijsen ligt het juridisch gewicht, waardoor in de toekomst meerdere priesters vrij eenvoudig kunnen uittreden; want iedere juridische handeling van een persoon is ongeldig, als die niet volledig in vrijheid van verstand en wil heeft plaatsgevonden.
5. De studie over Paredis is grotendeels het product van de theologische visie op de kerkgeschiedenis, die ik heb besproken: het is een ideologie! De beelden van vele bronnen en literatuur die in het boek over Paredis zijn vermeld, lagen bij de historicus vóór het bestuderen hoogst waarschijnlijk al vast; bijvoorbeeld van zijn eerste leermeester Prof. Dr. J. Bornewasser (1924-Heden)? Deze analyse is erg belangrijk, omdat we daarmee een andere visie op de vergelijking van de 19e en 20e eeuw kunnen ontwikkelen. En omdat we daarmee een ándere visie op grote lijnen kunnen ontwikkelen. En als we die kunnen ontwikkelen, geldt het ook voor de ontwikkeling en vorming van studenten die moderne kerkgeschiedenis van Jo Gijsen kregen.
THEORETISCHE VISIE OP DE KERKGESCHIEDENIS VAN BORNEWASSER E.A.
Bornewasser is een Nederlandstalige specialist voor de beschrijving van de Verlichting, en de vergelijking van de 19e en 20e eeuw. Daarin ziet hij de kerkgeschiedenis als een historisch onderzoek, waarin mogelijke theologische aanvullingen bij worden geplaatst. Van een theologie van de kerkgeschiedenis in de geest van H. Jedin, E. Iserloh en J. Gijsen moet hij niet veel hebben.
Het boek dat ik reeds aan heb gehaald, is dan ook vooral een kritiek op de theologische methode.
Bornewasser heeft het bij bovenstaanden ook niet over een soort "kracht van de H. Geest", die de leer en de praxis van het laatste Concilie zal bewerkstelligen; hij noemt dit een "Vaticanisme". Als het om de geschiedenis van de Kerk gaat, houdt hij vast aan een instituut dat midden in een wereldlijke context staat. En een instituut, dat gewoon aan wisselende maatschappelijke invloeden onderhevig is.
Een blindelingse vergelijking tussen de Verlichting en de Neo-Verlichting van de jaren ’60 van de 20e eeuw vindt hij alleen van belang, als de maatschappelijke factoren overeenkomen. En daarmee staat hij haaks op de vele literatuur over de overgang van de 18e naar de 19e eeuw, die Gijsen in zijn studie van 1968 interpreteert. En hij staat ook haaks op het boekje van Ratzinger, dat we in ons verhaal centraal hebben gesteld.
Niet vreemd, dat zijn vergelijking van de 19e en 20e eeuw totaal anders is, dan die van de theologische school. Voor Bornewasser
zijn de machtsverschuivingen in het kardinalencollege belangrijker, dan het "waaien van de Geest". De 19e en 20e eeuw komen alleen overeen in het gegeven, dat conservatieve- en progressieve Pausen elkaar afwisselen. En zo gaat het ook bij Bisschoppen. De invloed van een conservatieve Pius IX en een Paredis zal vervangen worden door meer progressieve beleidsmensen. En die weer door conservatieve. En die wisselingen hangen weer samen met de dialoog van de Kerk met het gedachtengoed van de Verlichting of de afwijzing. Welnu, Gijsen heeft de Neo-Romantiek ingezet in een periode van Neo-Verlichting. Dat is zijn grote verdienste, maar hij is doorgeslagen omdat hij de dialoog tussen Paredis en de andere Nederlandse Bisschoppen niet goed heeft begrepen en weergegeven.
Hiermee zetten we ook een streep achter het model van Paredis, waarmee Gijsen zich na zijn terugkomst in Limburg weer favoriet maakt: het model voor de priesteropleiding wordt overal buiten Limburg overgenomen! Door de uitwisseling van docenten, lijkt er sprake van een interactie van de opleidingen. In werkelijkheid zijn de 4 seminaries financieel vastgelopen instituten. Cursusjaren bestaan uit hoogstens 2 tot 4 personen, en de docent moet daarvoor een zeer grote afstand afleggen. Bovendien blijft het probleem van seksuele intimiteiten heimelijk een rol spelen.