CONCLUSIE

In de inleiding heb ik gewezen op twee auteurs, die in dit geheel centraal staan: Altermatt met zijn visie op de "Moderniteit", en Ratzinger met zijn parallellen tussen Verlichting en Romantiek vanaf de 18e eeuw. Altermatt heb ik vooral in het begin behandeld, waarin ik de band tussen het Hollandse platteland en de katholieke boerenzonen in de westerse stad centraal stel. Ook al ben ik bijvoorbeeld opgegroeid in een stad, er is in die periode sprake van één katholieke cultuur met het platteland in het oude Bisdom Haarlem. En dat katholicisme in de "Hollandse Moderniteit" was van een totaal ander karakter, dan het katholicisme in het homogene Limburg.

Ratzinger bepreekt de literatuur van Rogier over de Verlichting. Hij komt op interessante vergelijkingen met het heden. Ik ga echter nog een stap verder, omdat de kerkgeschiedenis ingrijpend is veranderd en Ratzinger 40 jaar later nu zélf een invloedrijk persoon is die geschiedenis kan maken. En mijn conclusie is, dat moderne kerkgeschiedenis áltijd actie of reactie is: het lijkt wel, of vooraanstaande mensen niet kunnen ontsnappen aan de "Zeitgeist" en nooit een middenweg kunnen bewandelen. Ik heb daarom meerdere malen gebruik gemaakt van langere perioden:

- De Romantiek vindt bij mij al zijn begin in 1774 als Goethe "Das Leiden des jungen Werthers" schrijft. In werkelijkheid is de Verlichting in Frankrijk en het Oostenrijkse keizerrijk nog volop bezig! Ik wil hiermee aangeven, dat het 2 "Zeitgeisten" zijn die elkaar wel afwisselen maar natuurlijk geleidelijk aan in elkaar zijn overgelopen. Er is géén periode van dominant-Rationalisme zónder elementen van Romantiek, en is géén periode van dominante-Romantiek zónder elementen van Rationalisme. Daarmee is het terrein dat ik heb beschreven breder, dan het boekje van Ratzinger. Ik heb namelijk álle tussenperioden van 1874-2000 óók besproken. En de conclusie is, dat we ná een periode van dominant-Rationalisme zaten te snakken naar een dominante periode van Romantiek, maar dat men nú weer totaal naar de andere kant is doorgeslagen! De enige persoon die alle wisselingen heeft bewandeld, is de Jezuïet Haye van der Meer s.J.. En dan is aan hem zelf de keuze, of hij die wisseling in de visie van Ratzinger en Gijsen wil zien, óf in de theoretische visie van Bornewasser die als kenner van de Verlichting en de 19e eeuw minder geneigd is te spreken over herhalingen.

Dít bovenstaande vormde het begin van mijn inleiding! Want ik erger me niet aan Romantiek, of Rationalisme; ik verfoei de dominante vormen. En in die vormen heb ik met behulp van het boekje van Ratzinger willen aangeven in: de rol van een Paus, Bisschoppen, Blinde gehoorzaamheid aan Rome, conservatieve clerus, gebrek aan rechtsinterpretatie, "veiligheidsdiensten", netwerken in Rome, "otherdirectedness", het beschuldigen dat iemand als gedoopte niet katholiek is, etc.. Wojtyla (1978-2005) sprak terdege als strateeg nog een taal van de gewone man; Ratzinger als Theoloog niet meer. En het wordt helemaal moeilijk, als een Bisdom Rotterdam (1956-Heden) dan ook nog eens sociale structuren creëert waarin men geheel voorbijgaat aan de klassieke achtergronden van de "Moderniteit" in Zuid-Holland. Want een systematiek van "Corebusiness" doet dit wel, maar dan moet men terdege weten wát de oorspronkelijke identiteit en de katholieke sociale lagen van een bepaalde streek waren.

Dus ik stel de vraag: "Roma locuta, causa finita?" Rome spreekt wel, maar voor een "rechtse" theologische elite, die elkaar in Nederland ontmoet op de Nieuwe Gracht in Utrecht, en misschien ook tijdens de priestervakanties van het Bisdom Haarlem. In het verzet tegen een "Neo-Aufklärung" slaat men door naar het andere uiterste. De thema’s van deze weblog zijn ofwel Canoniek recht, ofwel Kerkgeschiedenis. In het vervolg gaan deze twee samen. Want in het vervolg verbind ik Rechtsgeschienis aan Kerkgeschiedenis.

En ik herinner u aan die zin, die gemeentepoliticus van Den Haag tegen me zei toen ik rond de 17 jaar was. Want met deze argwanende inzet heb ik dit hoofdstuk geschreven: "Als je jong bent en je voelt geen onrecht, heb je geen gevoel. Als je oud bent en je blijft erin steken, heb je geen verstand!"

John van Wieringen.

P.S. Deel II http://roomseherinneringendeelii.web-log.nl/mijn_weblog/ en Deel III: http://roomsdeeliii.web-log.nl/   

17 July 2008
By on 08:08
x

xxxx

13 April 2008
By on 16:08
DEEL III BISSCHOPPEN EN PAUS. Paragraaf VI: Een bisschop en zijn alter ego. Het begin van de Neo-Romantiek (1972-Heden).

INLEIDING: DE PERSOON (1932-2008).

Voor de man waarvan ik nu de boeken doorneem, heb ik als kerkhistoricus in het beleid een wisselende bewondering. Op schrift vind ik hem helder.

Ik kwam uit de opleiding Middeleeuwse geschiedenis van de UVA, en ons eerste gesprek ging natuurlijk over kerkgeschiedenis. Hij was zeer openhartig, en zei iets in deze strekking: "Ik ben ten aanzien van de Katholieke Universiteit van Nijmegen een fan van de geschiedschrijving van RogierRogier_2 , en niet van Post!" (hiernaast beiden op foto). Voor degene die deze zin theoretisch niet snapt, verklaar ik die nader: "Ik let op grote lijnen, en niet (alleen) details!" De latere keren dat ik met hem over kerkgeschiedenis heb gesproken, kwam die liefde voor de historische methode van Rogier (1894-1974) altijd weer naar voren. Ook in zijn boeken kon ik dit terugvinden. Ja zélfs, als hij Rogier als een voorloper van de rebellie van de jaren ’60 beschouwde; iets wat maar ten dele waar was…

Tot slot had hij waardering voor de doctoraalscriptie van mijn tweede broer, die over de Moderne Devotie ging. Dat was zonder meer een pluim want als Jo Gijsen rond zijn 40e jaar in 1972 geen Bisschop was geworden, had hij zijn Habilitationstitel – de toestemming om op een universiteit te doceren – gehaald bij de reeds aangehaalde Iserloh. Over de laatste heb ik reeds gezegd, dat hij volgens mij de grootste kerkhistoricus van de 20e eeuw was.

Ik kan me echter een fundamentele fout herinneren die de persoon van Gijsen ten zeerste typeert, en waar voor mij de grens lag in de acceptatie. Ik vroeg en vraag me nog steeds af, of Paredis die karaktereigenschap óók had: het niet kunnen erkennen van zijn ongelijk! En ik móet die vermelden, want we moeten uiteindelijk tot een vergelijking met zijn alter ego Paredis (1795-1886) komen: de Bisschop was b.v. niet alleen Bisschop in de geest van Paredis, maar ook docent. In de praktijk kwam het er op neer, dat als men kritiek had op de wetenschapper, deze wetenschapper dit als een kerkpolitiek gezagsverlies opvatte. Ik zal het voorbeeld geven:

Want hij beweerde b.v.in 1983 bij hoog en laag, dat van de Nederlandse Bisschoppen alléén Paredis naar het Eerste Vaticaans Concilie (1869-1871) was geweest. Maar een litho in het boekRogier_3  van Rogier "In Vrijheid Herboren (1853-1953)" pag. 139 (1953) weersprak dit, terwijl de historicus J.M. Gijsen beweert dit boek veelvuldig te raadplegen. De aanvulling ontbrak in het boek van Rogier, maar kwam nota bene bij de verfoeide (nauwkeurige) Professor R. Post in de beschrijving van het artikel "Nederlanders op Algemene Concilies" (Vriendengave Berdinardus Kardinaal Alfrink, 1964, 153-173, m.n. 165); er waren namelijk drie Nederlandse- en vier Nederlandse missiebisschoppen op Vaticanum I. En van Paredis was geen sprake omdat hij gezien zijn leeftijd en vanwege gezondheidsredenen uiteindelijk afzag van de reis. Ofschoon hij oorspronkelijk als aangemeld vermeld staat. Het allermooiste van dit verhaal is, dat Gijsen dit in 1968 (dus ongeveer 15 jaar eerder) in zijn studie over "Paredis" nog heeft onderschreven Gijsen_mijmerend (Paredis, 336;J.D MANSI, Sacrorum Conciliorum Nova et Amplissima Collectio LIII (3a ed., Graz 1961).

En laat nu nét in diezelfde week in 1983 de kerkhistoricus en toenmalig journalist Ton van Schaik in het "Katholiek Nieuwsblad" iets over Gijsen publiceren. Het is een reactie op Gijsen op diens eerste publicatie van Mariënburgverening "Getuigen van de Geest die in ons leeft" (1983). Van Schaik zou ongeveer als volgt bekritiseren. Want men zou volgens de Bisschop een verkeerde "onderscheiding der geesten" maken: "Snap jij nu, waarom die man kerkhistoricus is?"  Dit alles werd door de Bisschop kerkpolitiek geïnterpreteerd; een Bisschop die wetenschappelijk verstandig is houdt zich afzijdig van andere zaken dan kerkpolitiek, en als hij dat niet doet worden die andere zaken daarvan doordrongen. En ook nú vraag ik me af, of de alter ego niet diplomatieker was. Volgens de onderstaande opsomming van karaktereigenschappen van Paredis, die Gijsen zélf bij elkaar heeft gezet, was dit het geval.

Als ik zeg, dat we hier over de "alter ego" van Gijsen spreken, dan gaat het ook over de wijze waarop Paredis mensen op Rolduc wilde opvoeden; het was immers ook een ideaal van Paredis om katholieken in alle maatschappelijke lagen te vormen middels onderwijs en katholieke kranten (Paredis, 73, 133-134, 326, 424, e.a.).

In de vergelijkbare traktaten van Gijsen over de 19e eeuw en zijn alter ego, sprak hij dit zonder veel voorbereiding voor de klas, werden die uitgetypt door leerlingen of mensen op het Bisdom, en dát was examenstof. Het ging hem inderdaad niet om details, maar hij wilde zijn studenten de grote lijn bijbrengen dat de 19e eeuw op dezelfde wijze zou zijn verlopen als de 20e eeuw. In het bijzonder in de persoon en het beleid van de alter ego. Voor wie mij niet kan gelovenGijsen_2, raad ik aan mijn archief in het Katholiek Documentatie Centrum te raadplegen. En men zal bespeuren, dat er geen andere visie werd geaccepteerd. Dít was geen kerkgeschiedenis meer, maar ideologie of een theologische visie in de geest van zijn leermeesters H. Jedin (1900-1980) en E. Iserloh (1915-1996).

Maar dan moeten we ook zoeken naar de bron van deze ideologie, namelijk zijn grote studie over de 19e eeuw over Paredis: Joannes Augustinus Paredis 1795-1886 Bisschop van Roermond. En het Limburg van tijd, Assen: van Gorcum en Comp. N.V., Dr. H.J. Prakke en H.M.G. Prakke 1968.Gijsen_3_2  .

Gijsen_5_2 Tot slot vermeld ik, dat ik me niet baseer op boeken van Richard Auwerda (1973) of Rex Brico (1987) e.a. over Jo Gijsen. Het is een journalistieke visie die daarin naar voren komt, die geen recht doet aan ook de kwetsbaarheid van Jo Gijsen als historicus. Want de Bisschop is communicatief in de media niet sterk, en dat mag men voor het beeld over hem niet misbruiken. Mijn mening is, dat we zijn eigen geschriften daarvoor moeten gebruiken.

Gijsen had b.v.voor een bundel van Rex Brico uit 1987 over de periode 1972-1987 twee gesprekken zonder datum met de auteur (pag. 12-18 s.a. en 93-106 s.a.). Maar hij had kunnen leren van de spirituaal van zijn Groot-Seminarie! Want Penning de Vries s.J. had op 14-4-1973 naast Brico zelf ook vermoedelijk het gehele gesprek overgenomen, en heeft later in 1978 (Geestelijke leiding vandaag, 199-205) in een volledige weergave van het gesprek precies aangegeven wát Brico in een voorbeschouwing in Elseviers had weggelaten. Dit moet volgens mij de reden zijn, waarom het gesprek met Penning niet is opgenomen in Brico’s bundel "Af en toe een oase: gesprekken met profeten, prelaten en andere wegbereiders 1972-1987" over de aangegeven periode van 1972-1987. Maar die van de in dit opzicht naïeve Jo Gijsen, – die anders zo achterdochtig kan zijn -, zijn wél opgenomen. 

Ik moet een korte inleiding geven, die van essentieel belang is voor het verstaan: Vanaf de 16e eeuw bestaat er een Mechelse Kerkprovincie, waarvan de huidige Zuidelijke Nederlandse Bisdommen ook de invloed ondergingen. Kerkpolitiek betekent dit een homogene katholieke streek. Bóven die streken is in de Republiek sprake van een Zending, een "Hollandse Zending". Die Zending heeft vanuit het oogpunt van de Europese kerkgeschiedenis in de volstrekt unieke situatie verkeerd, dat andersdenkenden werden toegestaan. In het begin moet men daar niet te veel achter zoeken, maar met name vanaf de 18e eeuw speelt dit in de gemeenschappelijke Nederlanden een hele bepalende rol: als het namelijk om godsdienstvrijheid ging sprak het homogene Zuiden een volstrekt andere taal, dan het pluriforme Noorden. Voor mij is dat ook een van de redenen, dat iemand als Wilders uit Venlo moet komen; hij heeft nooit met pluriformiteit leren leven, en mensen in het Westen wél!

DE BISSCHOP EN ZIJN ALTER EGO: HET MOTIEF VAN DE DUBBELGANGER.

In de moderne literatuur is het motief van de "dubbelganger" bekend. Ik kwam het voor het eerst tegen in "Tranen der acacia’s" (1949) en de "Donkere kamer van Damokles" (1958) van Willem Frederik Hermans (1921-1995), maar het thema komt waarschijnlijk het eerste voor in een boek van F. Dostojewski (1821-1881) met de gelijknamige titel "Dubbelganger" uit 1846. Daarin is de oorspronkelijke persoon altijd het ideaal, waaraan de tweede persoon niet kan beantwoorden. In 1963 is het laatste boek van Hermans door Fons Rademakers verfilmd in "Als twee druppels water"; en ik stel hieronder op basis telkens de vraag: is er tussen Paredis en Gijsen sprake van twee druppels water?Hermans Ik moet aan het thema "dubbelganger" nog toevoegen, dat iedere vorm van context waardoor dit verklaard kan worden, ontbreekt; het motief "dubbelganger" is dus volkomen a-historisch, omdat de historicus alleen in grote lijnen dreigt te denken, en de details die die grote lijnen kunnen veranderen over het hoofd ziet. Laten we eens in grote lijnen samenvatten, hóe Jo Gijsen zijn alter ego typeert, en – wat hijzelf noemt – interpreteert (Paredis, 52):

-Paredis heeft een openheid naar alle groeperingen (73). Dit heeft Mgr. J. Gijsen niet. Het is een angstige, schuwe man, die alleen mensen op dezelfde golflengte in zijn omgeving accepteert.

- Paredis heeft agrarische degelijkheid, noeste vlijt, eenvoud en ernst, gemakkelijke omgang met mensen, met mensen van iedere stijl en stand, aandacht voor onderwijs en cultuur, alomvattend religieus denkkader, etc.. (78). Hierin zien we het idealiseren van de dubbelganger. Want Gijsen kwalificeert dit alles als positief, maar kan hieraan zélf nooit volledig beantwoorden.

- Paredis is conservatief. Hij zweert bij een maatschappelijke orde, zoals van vóór de Franse Revolutie, waarin kerkelijke dwalingen ("de error non habet ius") niet getolereerd werden. Gijsen vermeldt echter, dat Paredis níet zo conservatief was als de Bisschop van Gent, Mgr. M. de Broglie (1766-1821), die ook de invloedsferen van de Mechelse Provincie en ook Rome kende. Die wilde volledig terugkeren naar het Oude Regime, en een wereld met twee machten; wereldlijk en geestelijk. Ofschoon Gijsen ook in zusterskloosters (sic!) de invloedrijke revolutie van 1968 heeft meegemaakt, was hij op politiek gebied minder duidelijk. Het was wel opvallend, dat hij het boekje van Pater J. Bots s.J. over de "Nieuwe Elite in de Kerk" benadrukte.

- Paredis is dan ook een volstrekte tegenstander van het uitbannen van de religie. Zijn conservatisme op dit punt ligt dus geheel in de lijn van de Romantiek en Restauratie in de R.K. van de 19e eeuw. Gijsen komt hierin overeen, omdat hij aan een verlichte moderne stroming van het Nederlands katholicisme wezenlijk tegengas gaf. En hij ziet in de 19e eeuwse Restauratie een voorloper van de ontwikkeling van de R.K. Kerk in de tweede helft van de 20e eeuw. Hij wordt benoemd in een periode van Rationalisme, maar zet reeds spoedig een tijdperk van Restauratie in.

- Bisschop Paredis kent totaal geen (politieke?) partijdigheid (103). Dit ontbeert Gijsen. Hij kan volstrekt niet samenwerken, als mensen het niet met hem eens zijn. Hij kan dan verwijzen naar Paredis, die ook niet kon samenwerken met zijn Noordelijke Bisschoppen (294-295, 326 e.a.). Maar Gijsen heeft Paredis beschreven als een man van dialoog, die ongetwijfeld anders met de uitkomst van b.v. de Bijzondere Synode van januari 1980 zou zijn ongegaan.

- Bisschop Paredis houdt zich niet met politieke zaken bezig (106). Bij Gijsen is dit wél het geval, als het om morele zaken gaat. We moeten dan in zijn beleidsperiode denken aan "abortus", "oorlog en vrede", het beleid van R.K. ziekenhuizen. Het is in dit kerkpolitieke kielzog, dat Wim Eijk de volledige ruimte kreeg om zijn proefschrift te schrijven.

- Bisschop Paredis heeft een onvoorwaardelijke trouw aan de conservatieve Paus Pius IX (1792-1878), en met name de Syllabus van 1864 (407). Die trouw is ook bij Gijsen het geval. Zijn grootste probleem is dan ook, dat Johannes Paulus II (1978-2005)Gijsen_en_paus  hem buitenspel zette in de uitwerking van de Bijzondere Synode van januari 1980.  En ook zijn fundamentele fouten in het beleid op het Groot-Seminarie Rolduc. Het inzicht was helder: de Nederlandse polarisatie zou bij verdergaande handhaving in Nederland geëscaleerd zijn, een gegeven dat de Paus ook in Oostenrijk en Zwitserland heeft toegepast.

- Paredis zet zich volledig af t.o.v. de vrucht van de Verlichting, het 19e eeuwse Liberalisme. Met name in zijn streven naar katholieke pers en katholiek onderwijs, te beginnen met Rolduc . Ook met de liberale katholieken is geen compromis mogelijk. Dit geldt ook voor Gijsen, maar die zal niet de diplomatie van Paredis hebben. Gijsen zal wél één grote historische lijn trekken vanaf de Verlichting, het 19e eeuwse Liberalisme en de kerkelijke rebellie in de jaren ’60 in de de R.K. Kerk in Nederland.

- Paredis heeft een nuchter geloof, en geen wetenschappelijk (294-295, e.a.). Daarin onderscheidt hij zich t.o.v. zijn Noordelijke collegae, die hij sinds 1853 ("Kromstaf") als Bisschop kentBisschoppen . De 4 Noordelijke Bisschoppen hebben trouwens een totaal andere Kromstaf toenadering tot het meer Protestante Liberalisme, omdat die "De proeftijd der pariteit" (Rogier, Vriendengave Berdinardus Kardinaal Alfrink, 1964, 174-200) mogelijk maakte; katholieken in het Noorden hebben vanaf de 18e eeuw veel te danken aan de Liberale Protestanten, en die namen een totaal andere positie in dan de katholieke Liberalen in de gebieden rond de voormalige Mechelse Kerkprovincie. Dus als Paredis en de Noordelijke Bisschoppen tot op deze periode een andere visie hebben, is dat geheel logisch; de sociaal-ethische positie van de katholieke- of protestante liberalen was totaal anders. De veranderingen kwamen pas in de jaren ’60 van de 19e eeuw.

- Paredis heeft een diep geestelijk leven, en stimuleert iedere vorm van geestelijk leven en meditatie (112, 336, 370, 432-452, e.a.). Dat heeft Gijsen ook, en het gemeenschappelijke is verder dat ze dit in hun omgeving stimuleren. Gijsen is als intellectueel ook in volksdevoties nadrukkelijk aanwezig. Een gegeven, dat zonder meer door het Meertensinstituut kan worden bestudeerd.

- Gijsen spreekt niet over de seksualiteit van Paredis of anderen, net zo min als hij dat over zijn eigen intieme leven doet. En dat is opmerkelijk, want een mens is niet alleen spiritualiteit. De autobiografie van Lodewijk van Deyssel (1864-1952) over Rolduc, "De kleine Republiek" (1889), spreekt toch heel nadrukkelijk over homoseksualiteit op Rolduc. En ik kan er uit persoonlijke ervaring aan toevoegen, dat dit ook in de tijd van Gijsen aanwezig kon zijn. Oók trouwens op het Bisdom.

- Paredis heeft geen geloofstwijfels (113). Gijsen ook niet. Hij heeft zelfs een katechismus met de naam "Zekerheid en Vrede" (1978) geschreven. In zijn lessen kerkgeschiedenis voegde hij eraan toe, dat "eenheden in de theologische systematiek" altijd een uiting waren van orthodox geloof. Maar we moeten voor het boek van Gijsen wel opmerken, dat hij het "halve Vaticanum II" citeerde. En hij gaf niet aan, dat dit Vaticanum II toch écht uit twee verschillende stromingen bestond; of dat men in de ontwikkeling van de concilies de aanwezigheid van de eenheid van de H. Geest zou kunnen ontdekken.

- Paredis is een "Zielzorger in stad en land van Roermond van 1821-1840" (116), en zal de pastorale zorg in zijn beleid centraal stellen. Dit kán Gijsen volstrekt niet! Hij leidt een seminarie op voor kapelaans, maar heeft zelf slechts twee jaar in de pastoraal gestaan. Hij had dus een duidelijke rede, om in de "luwte" te werken. Toen ík echter een brief van artsen van een universitaire kliniek van de RUL liet lezen dat het medisch verstandiger was als ik óók in de "luwte" mocht werken, moest ik buiten de Kerk gaan werken. Dit is egocentrie, en misschien is dit wel dé karaktertrek waarin hij het meest van zijn "alter ego" verschilt. Want hoe kan men een ander dwingen, wat je zelf ook niet hebt gekund en waar een milde rechtsinterpretatie door een meerdere past ("nemo potest ad impossibele obligari")? Het kan alleen, als men het recht uitsluitend vanuit de rechtsleer (1025,2, 1040-1049) benadert. Ik raad u aan, om voor dit punt het stuk over rechtsinterpretatie en rechtsleer te herlezen, want dit raakt de actualiteit van het moderne kerkelijk recht.

- Paredis wordt door Gijsen beschreven als de Bisschop, die uiteindelijk tóch het gelijk van zijn veel meer onderlegde Noordelijke Bisschoppen krijgt (294-295, 418-419, 424, e.a.). Op het moment voert Jo Gijsen in 2008 een "kruistocht" in het Limburgse land, om vooral maar duidelijk te maken dat dit ook voor hém zal gelden. Want hij geeft lezingenGijsen (zie foto) over het boek over Paredis, en de strekking is dat de Noordelijke Bisschoppen hem uiteindelijk toch wel gelijk gaven…….Het punt dat de Bisschoppen elkaar begonnen te vinden – de onderwijswet van 1868 – is een gegeven dat Gijsen als Limburger alleen van de kant van Limburg bekijkt, maar niet het Noorden (109-110,326-327, 418-420, 424 e.a.). De uitbouw van onderwijs en sociale ethiek zijn er in het Noorden zonder meer gekomen, maar dán met name van de kant van religieuzen (s.J., S.C.J., Carmelieten, Jezuïeten, S.C.J., O.F.M., e.a.) en niet de diocesane clerus zoals in het Zuiden. Samenvatting:

1. Dan gaat het bij Paredis om een zeer katholieke man, die geboren is in de periode van revolutie van de 18e eeuw, en geheel gevormd is in de restauratieve periode ná het Congres van Wenen (1815). Het restauratieve uit zich vooral in zijn onvoorwaardelijke trouw aan een conservatieve Paus, als ook zijn keuze voor een geheel duidelijke katholieke opvoeding en spiritualiteit. Daarbij heeft de oprichting van katholieke scholenRolduc_2   een centrale rol gespeeld. Opvallend is echter het gegeven, dat hij andere mensen om zich heen de ruimte kan gunnen; daarin onderscheiden de Gijsen en zijn alter ego zich.

2.De wezenlijke reden van het verschil van mening tussen Paredis en zijn Noordelijke Bisschoppen was in eerste instantie een sociaal-ethische kwestie. En de wezenlijke reden van het conflict tussen Jo Gijsen en zijn Noordelijke collegae was en is zijn onverdraagzame karakter geweest.

3. Jo Gijsen heeft vrijwel niets aan pastoraal gedaan, en over de twee jaar die hij in Valkenburg zou hebben doorgebracht gaan roddels over pedofilie. Een gegeven dat moeilijk valt te traceren is, en dat terwijl de bronnen van Paredis met enige problemen geheel na te trekken zijn maar die van Gijsen niet; in de extra Bisdomkrant van Roermond bij gelegenheid van zijn 25-jarig priesterfeest (1982), staan mooie kleurenfoto’s die bewust gekozen zijn door de perschef maar niets over de openheid.

4. Gijsen heeft in feite zijn leven lang gestudeerd, voordat hij Bisschop werd. Vanuit die achtergrond heeft hij een enorme kennis van de overgang van de 18e-19e eeuw (36-45), en daarmee komen we precies in de lijn van de analyses van Ratzinger Ratzinger_boek_2 . Maar Paredis is de man van de pastoraal. Het is wél waar, dat het geestelijk leven in beide personen voorkomt. En dat dit in beide perioden voorkomt dat het geen "mode" was om te geloven. Maar de één dwong andere mensen te doen, wat hijzelf in zijn priesterschap vrijwel nauwelijks had gedaan. En de ándere liet naast zijn eigen levenskeuze als priester andere priesters de ruimte, om andere keuzes te doen. Bijvoorbeeld in het onderwijs. In het dwingen van de persoon van Gijsen ligt het juridisch gewicht, waardoor in de toekomst meerdere priesters vrij eenvoudig kunnen uittreden; want iedere juridische handeling van een persoon is ongeldig, als die niet volledig in vrijheid van verstand en wil heeft plaatsgevonden.

5. De studie over Paredis is grotendeels het product van de theologische visie op de kerkgeschiedenis, die ik heb besproken: het is een ideologie! De beelden van vele bronnen en literatuur die in het boek over Paredis zijn vermeld, lagen bij de historicus vóór het bestuderen hoogst waarschijnlijk al vast; bijvoorbeeld van zijn eerste leermeester Prof. Dr. J. Bornewasser (1924-Heden)? Deze analyse is erg belangrijk, omdat we daarmee een andere visie op de vergelijking van de 19e en 20e eeuw kunnen ontwikkelen. En omdat we daarmee een ándere visie op grote lijnen kunnen ontwikkelen. En als we die kunnen ontwikkelen, geldt het ook voor de ontwikkeling en vorming van studenten die moderne kerkgeschiedenis van Jo Gijsen kregen.

THEORETISCHE VISIE OP DE KERKGESCHIEDENIS VAN BORNEWASSER E.A.

Bornewasser is een Nederlandstalige specialist voor de beschrijving van de Verlichting, en de vergelijking van de 19e en 20e eeuw. Daarin ziet hij de kerkgeschiedenis als een historisch onderzoek, waarin mogelijke theologische aanvullingen bij worden geplaatst. Van een theologie van de kerkgeschiedenis in de geest van H. Jedin, E. Iserloh en J. Gijsen moet hij niet veel hebben. Bornewasser Het boek dat ik reeds aan heb gehaald, is dan ook vooral een kritiek op de theologische methode.

Bornewasser heeft het bij bovenstaanden ook niet over een soort "kracht van de H. Geest", die de leer en de praxis van het laatste Concilie zal bewerkstelligen; hij noemt dit een "Vaticanisme". Als het om de geschiedenis van de Kerk gaat, houdt hij vast aan een instituut dat midden in een wereldlijke context staat. En een instituut, dat gewoon aan wisselende maatschappelijke invloeden onderhevig is.

Een blindelingse vergelijking tussen de Verlichting en de Neo-Verlichting van de jaren ’60 van de 20e eeuw vindt hij alleen van belang, als de maatschappelijke factoren overeenkomen. En daarmee staat hij haaks op de vele literatuur over de overgang van de 18e naar de 19e eeuw, die Gijsen in zijn studie van 1968 interpreteert. En hij staat ook haaks op het boekje van Ratzinger, dat we in ons verhaal centraal hebben gesteld.

Niet vreemd, dat zijn vergelijking van de 19e en 20e eeuw totaal anders is, dan die van de theologische school. Voor Bornewasser Bornewasser_2 zijn de machtsverschuivingen in het kardinalencollege belangrijker, dan het "waaien van de Geest". De 19e en 20e eeuw komen alleen overeen in het gegeven, dat conservatieve- en progressieve Pausen elkaar afwisselen. En zo gaat het ook bij Bisschoppen. De invloed van een conservatieve Pius IX en een Paredis zal vervangen worden door meer progressieve beleidsmensen. En die weer door conservatieve. En die wisselingen hangen weer samen met de dialoog van de Kerk met het gedachtengoed van de Verlichting of de afwijzing. Welnu, Gijsen heeft de Neo-Romantiek ingezet in een periode van Neo-Verlichting. Dat is zijn grote verdienste, maar hij is doorgeslagen omdat hij de dialoog tussen Paredis en de andere Nederlandse Bisschoppen niet goed heeft begrepen en weergegeven.

Hiermee zetten we ook een streep achter het model van Paredis, waarmee Gijsen zich na zijn terugkomst in Limburg weer favoriet maakt: het model voor de priesteropleiding wordt overal buiten Limburg overgenomen! Door de uitwisseling van docenten, lijkt er sprake van een interactie van de opleidingen. In werkelijkheid zijn de 4 seminaries financieel vastgelopen instituten. Cursusjaren bestaan uit hoogstens 2 tot 4 personen, en de docent moet daarvoor een zeer grote afstand afleggen. Bovendien blijft het probleem van seksuele intimiteiten heimelijk een rol spelen.

27 March 2008
By on 19:43
DEEL III: BISSCHOPPEN EN PAUS Paragraaf V: Een buitenwoon groot strateeg: Johannes Paulus II (1978-2005).

250pxpaus_pius_xi_op_zijn_troon

Toen ik op Rolduc kerkgeschiedenis kreeg van Professor Dr. E. Iserloh (1915-1996) uit Münster, was het voor mij een ontmoeting met een van de grootste kerkhistorici uit de vorige eeuw. Toen ik later mijn tentamenbriefjes van Iserloh in Nijmegen aan Peter Nissen liet zien, begon hij wat te wiebelen op zijn stoel; en Peter is zélf nota bene een van de betere kerkhistorici in Nederland! Ik wist bij Iserloh, dat ik áltijd op de kleine opmerkingen moest letten, die hij tussendoor maakte; b.v. zijn visie over het verliezen van álle materiële macht maar het winnen van álle spirituele macht in 1871: "mediteert u daarover eens, mijne heren! Op één dag!" Over de worsteling van Luther met wat wíj katholieken "erfzonde" noemen. Voor Luther waren de "werken" slecht, dat alleen het geloof heil kon brengen. En bij één van die opmerkingen was het gegeven, dat Iserloh Pius XI (1857-1939) de grootste Paus van de 20e eeuw vond.

Pas later realiseerde ik me, dat Iserloh als jonge Duitse katholiek ten tijde van het regime van Hitler in Rome heeft gestudeerd. En deze Paus had het uit eigen beweging zonder meer gedurfd om een duidelijke afwijzing van het Nazisme te formuleren. Die is er niet écht gekomen, omdat de latere Pius XII (1876-1958) – medebedenker van het Concordaat van het Vaticaan met Duitsland én nuntius in Berlijn – een door velen gedeelde visie van een laffe politiek heeft gevoerd t.o.v. het Nazisme. Ik ben onlangs nog in de kathedrale kerk van de katholieken in Berlijn geweest. Die was er al tijdens het regime van Hitler. Ik schaamde me werkelijk diep, toen ik de rol van de nuntius en de aartsbisschop van Berlijn uitgelegd kreeg….

Laf is in dit geval ingegeven door een "deontologische keuze" ten opzichte van het "kwaad"; hij durfde niet met beide benen in de modder te staan. Want de latere Pius XII wilde niet kiezen tussen twee kwaden (het politieke en militaire gevaar van Duitsland en een verlies van het meest winstgevende concordaat dat de Kerk heeft, én het gevaar van het vermoorden van Joden)……

Sinds het existentialisme van Sartre van ná WO II weten we, dat dit diplomatiek vermijden van kwaad niet kan; ieder mens die beweert níet te kiezen, kiest in feite tóch! In dit geval: als deze Paus zwijgt, is hij moreel indirect medeverantwoordelijk voor de Holocaust! Vanwege dit belangrijke "issue" in het kerkelijk denken én handelen, kom ik hierop hieronder nog een keer terug.

Wáár begon mijn respect voor Johannes Paulus II (1978-2005) zich van intuïtie te verrijken met kennis? Het was tijdens de studie "Archief- en Informatiewetenschap", die ik na de historische studies heb gedaan. Want veiligheidsdiensten zijn het prototype van een uiterst systematische manier van ordenen van zéér relevant materiaal over alles, en nog wat; maar voor 99% gaat het over mensen…

In mijn bovenstaande verhaal over binnen- en buitenkerkelijke veiligheidsdiensten, heb ik niet op literatuur gewezen die mijn mening beïnvloed heeft. Maar die is er terdege: bijvoorbeeld "The File. a personal history" The_file(1998) van Timothy Garden Ash, een politiek commentator van The Guardian. Ash beschrijft een aantal Oost-Duitsers, die hun "archief", "hun file" mochten inzien ná de val van de Oost-Duitse veiligheidsdienst, de Stasi. En één verhaal ging over een leidende vrouw uit de Oost-Duitse Vredesbeweging, die financieel gesteund werd door het Nederlandse IKV; het IKV was immers een voorstander van een "tweezijdige ontwapening", en daarom wilde men ook bínnen het Oost-blok actief zijn! Ash vertelt, dat de vrouw steeds meer vereenzaamt, en alléén nog in haar engagement gesteund wordt door de man waarmee ze álle facetten van het leven deelt. Ná de val van de "Duitse Muur" kwam ze vrij snel achter haar "file", en daaruit bleek dat de enige spion in haar leven haar eigen man kon zijn geweest…..en die werd daarvoor beloond door middel van betalingen….

Nog geen 5 jaar later verscheen er een Nederlands Proefschrift dat over de strategie van de Oost-Duitse veiligheidsdienst Stasi Stasitegenover het IKV handelt. Daaruit blijkt, dat de naaste 2 medewerkers van IKV-leider Mient-Jan Faber door het Oostblok betaald werden….Terwijl het doel was, dat via het losweken van Nederland de NAVO innerlijk zou scheuren. Als Faber consequent was geweest, was hij afgetreden. Want dit is een fundamenteel falend beleid waarvoor híj de eindverantwoordelijke was!

Vorig jaar gaf ik aan de zeer roomse vader van mijn vriendin een boek van de Poolse priester Isakowicz Zaleski over de invloed van de Communistische veiligheidsdienst in de Poolse kerk, en indirect ook het Vaticaan (recente gegevens wijzen uit, dat de Poolse veiligheidsdienst o.m. op de Kanselarij spioneerde). Haar vader komt uit Litouwen, maar leest vrij gemakkelijk Pools en kent dezelfde situatie in Litouwen; daarom zei hij ook telkens tegen mij tijdens het lezen: "Waarom kunnen die bronnen in Litouwen niet uitgegeven worden!". Want hij is – evenals zijn vrouw – ten tijde van Stalin (1878-1953) in Siberië geweest o.i.v. de toenmalige Litouwse veiligheidsdienst. Hij vertelde me over het Poolse boek, dat Poolse veiligheidsagenten de latere Paus "de Pedagoog" noemden en dat ze geen invloed op hem kregen. Het enige zwakke punt was, dat aartsbisschop Wielgus bijna 40 jaar (vanaf 1967) kon spioneren voor het Communistische regime. Maar wie zegt, of dit niet voor de latere Paus een teleologische keuze uit twee kwaden was! Hij tolereerde dan de aanwezigheid, om groter groter kwaad te voorkomen; niet dat hij van nature tot "lafheid" zou neigen. Ik zou dan ook graag de Poolse biografie van zijn voormalige secretaris Mgr. Stanislaw Dziwisz (1939-Heden)Secretaris_vorig_paus willen lezen, die als aartsbisschop van Kraków in 2006 kardinaal werd gecreëerd. Maar dan in een vertaling. De secretaris is 30 jaar de rechterhand en Biechtvader van de voormalige Paus geweest. Ik hoop in zijn biografie als betrouwbare bron dan ook het volgende te vinden: de vorige Paus was een glashelder strateeg in het Communisme, en hierin ligt de basis voor het gegeven dat hij één van de grootste wereldstrategen van zijn tijd was……Door geen enkele Paus overtroffen in de 20e eeuw! Het gaat me om de politieke strateeg; niet de moraalfilosoof.

De Paus die "mijn Paus" (1920-2005) is sinds 1978, vond ik niet bijzonder vanwege zijn moraaltheologie, die vooral "Humanae Vitae" (1968) ondersteunde. Het schijnt overigens wél, dat de wekelijkse gesprekken tussen Wojtyla en Ratzinger interessant en van een zeer hoog niveau moeten zijn geweest. De vorige perschef van het Vaticaan, die meen ik ook arts én lid van het Opus Dei is, ontviel een dergelijke mededeling een keer. Maar mijn bewondering ging dus vooral uit naar de doorzettingsvermogen, waarmee hij binnenkerkelijk en buitenkerkelijk politiek aanpakte. De mooiste foto van "mijn Paus" is die van hiernaast. Het is de begroeting van de toenmalige innerlijk zeer hoogstaande primaat van Polen, kardinaal WyszynskiWojtyla_2, van de nieuwe Paus ná de Pauskeuze. Beiden kenden de kracht van het katholicisme in de strijd tegen het Communisme.

Poolse_kardinalen Deze Paus dwong dan op vele terreinen bewondering af vanwege zijn inzicht van een internationaal politicus. Maar niemand van de internationale leiders was werkelijk geïnteresseerd in zijn Theologie. Daarin is hij de tegenpool van Ratzinger, die juist met zijn Theologie de aandacht wil trekken. Maar hij is niet in staat de aandacht van wereldleiders te trekken…..Want in een periode van Verlichting en Rationalisme gaat het alléén om politiek inzicht van een Paus. De mensen zijn pas weer geïnteresseerd in Theologie, als de Romantiek begint; dus niet alleen of ze "zwevend gelovig" zijn, maar ook systematisch inhoudelijk na gaan denken over het geloof.

Want vanwege zijn internationale politiek was déze man, die óók een deontoloog was, óók iemand die "vuile handen" durft te maken. En zich niet liet adviseren door een bange diplomaat! Wie leert zomaar even de Nederlandse taal aan? Hij zag de Nederlandse polarisatie aan als hét voorbeeld van dé "splijtzwam" van álle Westerse kerken.

Ik erken, het is hem niet helemaal gelukt, maar daarmee heeft hij wel aan onze cultuur "gesnoven"; zéker na het "Pausbezoek van 1985"! Ik zie me dan ook nog met Rolduc staan op het St. Pietersplein: Het was de week ná Pasen in 1982, en twee Bisschoppen stonden bij de Paus; Jo Gijsen en Ad Simonis. Gijsen wilde de sier maken met zijn seminarie, en Simonis was in díe tijd een soort "aanhangwagen" van Gijsen. Simonis had bovendien in zijn eigen Bisdom Rotterdam niet veel te vertellen, en – hoewel hij de financiële middelen had ontkoppeld van de KTHA in Amsterdam voor Rolduc – had hij óók niet veel op Rolduc te vertellen. En één van de insiders vertelde me eens, dat Rolduc een "miljoenenbedrijfje" was……

Simonis_2  Maar de Paus zag de rol van Simonis anders, want hij had beide Bisschoppen (Simonis en Gijsen) meegemaakt op de Bijzondere Synode van de Nederlandse Bisschoppen van januari 1980. En hoewel men nadien in Roermond toch werkelijk het idee had, dat Bisschop Gijsen "had gewonnen" stond er één ding in dat niet in het vocabulaire van Gijsen voorkwam: samenwerkenSimonis_4 ! Men kan dit toch al werkelijk op de éérste pagina terugvinden! De Paus onttrok zich dan ook aan het "dwingen" van Gijsen, die op dát moment zo waarlijk een keer gehoorzaam kon zijn! En de Paus stond zeker 7 tot 8 minuten met Simonis te praten. Tóen is de bovenstaande foto van Simonis en de Paus genomen; een historische foto! Eén jaar later (1983) was Simonis namelijk aartsbisschop, want de Paus moet hebben ingezien dat met de keuze van Gijsen de polarisatie tot in het extreme zou doorgaan. Bovendien was Mgr. Paredis ook nooit aartsbisschop geworden……..

Ik durf de twijfel bij mijzelf toe te laten, of de overtuigd deontoloog Wim Eijk die natuurlijk ook weer in de Neo-Romantiek in de netwerken van de huidige Paus weet te komen, óóit een kans zou hebben gehad binnen de strategie die Wojtyla met de Nederlandse kerkprovincie voor ogen heeft gehad. Wim Eijk is namelijk een persoon, die de polarisatie kan doen herleven. En om díe reden heb ik met mijn eigen ogen gezien, dat Jo Gijsen letterlijk afgewezen werd door Johannes Paulus II!


By on 19:26
DEEL III BISSCHOPEN EN PAUS Paragraaf IV: Een koele zelfkikker (1953-Heden).

In het bovenstaande heb ik voor het herleven van het "seminariemodel" niet teruggegrepen op de Verlichting, maar Trente (1545-1564) en de Ratio Studiorum van de s.J. (1599)Ratio_studiorum_1599 . Er moet een relatie zijn tussen die laatste twee, maar dan moet het voorbeeld voor het "seminariemodel" in eerdere versies hebben gelegen dan die van 1599.

De kerkhistorici H. Jedin (1900-1980) en E. Iserloh (1915-1996) zijn in de 2 helft van de 20e eeuw de invloedrijkste kerkhistorici van hun tijd. Iserloh als Lutherkenner, Jedin als kenner van de "Contrareformatie" de Conciliegeschiedenis én het feit dat hij de 7 delen van het "Handbuch der Kirchengeschichte" (pocket-editie, 1962) heeft geredigeerd. Laten nu beide mensen bevriend zijn met Jo Gijsen, en laten beide mensen dezelfde theologische (historiografische) visie op de kerkgeschiedenis hebben! Want voor de keuze voor het seminariemodel in de geest van de "Ratio Studiorum" is méér nodig: én onder leiding van Jezuïeten (H .an der Meer s.J., P. Penning de Vries s.J. en G. Wilkens s.J) is niet alleen een keuze van een beleidsdragend Bisschop, maar is ”oók de historicus nodig. Jo Gijsen koos als enige in 1972 voor dit model in een periode van "NeoRationalisme", terwijl het ondenkbaar was dat hogescholen afvielen! Laten we eerlijk zijn: het ontbreekt hem daarbij niet aan historisch inzicht.

De geschiedenis lijkt zich te herhalen. Bisschop, s.J, én seminarie: Na Rolduc (1972) zijn er inmiddels 3 seminaries: het interdiocesane seminarie Bovendonk (1983), Het St. Janscentrum in Den Bosch (1986) en de Tiltenberg (1997). In 1979 was reeds het Ariënsconvict in Utrecht opgericht. Het meer "gesloten" model komt weer net als in het herleven van de "Ratio Studiorum" in de "Neo-Romantiek" naar voren naast het "open" model. En tegelijk ziet men, dat de bovenstaande modellen uit het Rationalisme terug worden gedraaid. De KTHA ging op in de KTU. En diezelfde KTU staat zózeer onder controle van een hernieuwd episcopaat, dat de band van de KTU met Tilburg het begin van het einde van Tilburg markeert. Er is dus alleen nog Nijmegen als onafhankelijke opleiding naast de Bisschoppelijke opleiding van de KTU. Wat als herhaling óók nog opvalt is, dat de drie seminaries door vrijwel dezelfde docenten worden gedoceerd (voor hele kleine groepen….). En dat wederom de s.J. in de leiding zit: G. Wilkens s.J. (Rolduc en St. Janscentrum), J. van de Poll s.J. (Utrecht), B. Stoffels s.J. (Bovendonk). Jo Hermans van de Tiltenberg is erg beïnvloed door de Jezuïeten van Rolduc maar schijnt opgevolgd te zijn, en de ex-provinciaal Hans van Leeuwen s.J. gaf lange tijd geestelijke leiding aan de late roepingen van Vronesteyn.

En hiermee zijn we gekomen bij de man, die wat betreft het herordenen van de wetenschappelijke ambtsopleiding én de inhoud van de Theologie de strateeg is: Wim Eijk! En misschien daardoor ook – omdat de gezondheid van Van Luyn 2 maal in het spel is geweest evenals het gegeven dat twee priesterbroers vrij snel achter elkaar overleden – strateeg als aartsbisschop; vooral door eerst op de financiën te letten. Want Wim Eijk kan als ex-studieprefect alleen maar de positieve punten zien van een seminarie. En Wim Eijk vindt dat een wetenschappelijke opleiding onder het herderlijk toezicht moet staan van Bisschoppen die in staat zijn hun Theologie bij te houden. Dan wordt het eens interessant wat meer over deze man te weten te komen! Zeker ook, omdat Eijk heel goed weet dat in seminaries seksuele misstanden kunnen voorkomen. Ook al halen die niet áltijd de media……

Wim Eijk heb ik voor het eerst ontmoet, toen ik in 1980 op Rolduc kwam. We hadden beiden op de UVA gezeten, en waren beiden opgeleid door de paters SCJ in Den Haag en Amsterdam. Tijdelijk ontstond er een hele oppervlakkige band. Zo ben ik een keer bij zijn pastoor in Duivendrecht geweestWim_eijk_2_2, die een zeer hoogstaand mens was. Ik weet wat een gemiddeld pastoorssalaris is, en deze man wist daarvan nog glas-en-loodramen in zijn "kathedraal van Duivendrecht" te betalen. De man was geen intellectueel, maar had een hele pure manier van spreken en dat moet de introverte Wim hebben geraakt. Want in de discussies die ik met Wim wel eens had als we langs de vijvers van Rolduc liepen, kon hij b.v. soms depressief zijn. Als we het bijvoorbeeld over de toekomst van de Nederlandse Kerk hadden, dan zei hij tegen mij: "Kijk eens naar Carthago! Daar heeft nota bene de Kerkvader Augustinus gezeten…..En er is niets meer van over….Het Christendom kán hier voorbij gaan John!" Het is ook in díe periode, dat hij contact kreeg met het Opus Dei. Want ik ben in gesprek geweest met een zekere Steinmetz (?), en die liet al duidelijk blijken dat ik er waarschijnlijk niet zo’n feeling voor had. Als ik kerkelijke artikelen moet geloven, heeft Wim wél dat contact uitgebouwd. Ik kan daarvoor maar één verklaring geven, en dat is dat hij zich volledig wil indekken met intellectuele orthodoxe en moreel-behoudende mensen. Het is vanuit deze achtergrond ook, dat ik erop heb gewezen dat Jan Hendriks – mede deelgenoot van de groep Stienstra – een zeer grote kans maakt om Bisschop van Rotterdam te worden.

Op de ouderdagen van Rolduc kwam vaak van gescheiden ouders de ene ouder het ene jaar, en de andere het andere jaar; echtscheiding van ouders was een van die punten, waarover nooit werd gepraat….En tóch kan ik er meerdere opnoemen! Zo ligt hier hoogstwaarschijnlijk ook een mogelijke "Sitz im Leben" van de "roeping" of een morele keuze van Wim. Die stond diametraal op één of beide van de ouders. Wim kan bijvoorbeeld zéér negatief over zijn vader praten….Dan ontbreekt de ethiek en de moraal ineens! En ik heb hem nooit met één van zijn ouders op Rolduc gezien. De enige personen in zijn leven waren volgens mij de pastoor van Duivendrecht en zijn huishoudster. Ik ben ervan overtuigd, dat dít de achtergrond van Wims levensvisie is. Dupuis_2Zo’n man met een problematische emotionele achtergrond van introvertheid, solisme, geen emotioneel-rijpe jeugd, autarkie e.a. laat je toch geen moraaltheologie studeren?

Want Wim kreeg een heel eenzaam maar zéér doelbewust bestaan: hij speelde orgel (alleen); was bezig met zijn proefschrift in Leiden bij Heleen Dupuis (alleen, of met Van der Meer s.J.); heb ik in al die jaren één keer zien sporten met een model sportbroek uit de jaren dertig; stak soms té veel energie in discussies. Want discussies waren voor hem wél interessant, maar vaak was hij dan de volgende dag ziek. Hij schreef dan volgens mij als arts voor zichzelf een recept voor, en ik heb me altijd afgevraagd of hij daarvoor verantwoording heeft afgelegd aan meerderen.

Die positie van solist zal hem als hoofd van de Bisschoppenconferentie nog ernstig kunnen gaan opspelen, want de leiding van Kerk in Nederland is allereerst gebaat bij samenwerken zoals we in de Besluiten van de Bijzondere Synode van januari 1980 gezien hebben! De reactie van de dekens van het Aartsbisdom (met uitzondering van Mgr. de Korte) kwam niet zo maar uit de lucht vallen. Wim is bezig met een centralistisch beleid, en dekens hebben overwegend kerkjuridisch niet meer macht dan een uitvergrote pastoor.

Eijk_emboss80 Wim_eijk7Hier raken we ook een punt, dat niemand in de leiding van de Nederlandse Kerk durft aan te snijden: als Wim Eijk té intensief had gediscussieerd, zat er intense spanning in het gebied tussen zijn schouders en zijn nek (precies zoals op de foto’s hier links), en datzelfde heb ik op TV-beelden gezien in de tijd dat hij in 2001 een hersenbloeding kreeg. Tegenwoordig heeft hij een krampachtige glimlach bij…En ik zie de herhaling telkens wederom als hij een groep moet toespreken; als er polarisatie is; discussie over de "ware katholiciteit", etc. en hij niet inziet dat hijzelf altijd het onderwerp van het proces is! Want er is terdege een emotionele relatie tussen een absolute keuze in ethiek en moraal, en anderzijds het feit dat er een onverwerkte "wond" en spanning zit. Duidelijk moet volgens mij zijn, dat Wims roeping verweven is door twee punten: (1) De mechanisering van het wereldbeeld (2) de echtscheiding van de ouders. Over dat eerste punt komen we nog te spreken.

Het is een tegenstrijdige handeling, want de moraaltheoloog verkondigt de liefde aan de hand van de "Wet van Christus" (Häring), maar ik hoor eigenlijk een geestverwant van Wim Eijk, Mgr. J. Terschure, zeggen: "Ik houd heel veel van de Kerk, en een beetje van de mensen……."(1985). En het is natuurlijk bijzonder knap van Wim, dat hij twee keer is gepromoveerd (1987 en 1990), en ook nog een licentiaat heeft gehaald. Ingewijden leveren echter de informatie, dat Wim een goed functionerend "netwerk" in Rome heeft; in de Internationale Theologencommissie zat (1997-2002); en al jaren vóór zijn Bisschopswijding (1999) bewust deel uitmaakte van de kring van Mgr. Th. Hendriksen (1907-2001), die ik al ter sprake heb gebracht.

Dat hij daarin zo gevierd is, is écht niet zozeer omdat het zo’n bijzonder wetenschapper is. "In het land der blinden, is de éénoog (de arts) koning in medische ethiek en moraaltheologie!": De teneur van zijn moraaltraktaten ligt in het verlengde van de uitkomsten van de deontologische moraal van Rome; en daarmee ook van de uitkomsten van geneeskundig onderzoek. Dus een visie over anticonceptie door het afwijzen van het condoom, het aanprijzen van de temperatuurmethode en de slijmmethode, een negatieve visie op samenwonen, euthanasie, homoseksualiteit etc.. Ik vind het zinloos, om net als een Ton van Schaik in detail te treden over homoseksualiteit; ik heb wél de voorpagina van het traktaat getoond. Nu een overzicht van zijn disciplines:

I. Medische ethiek is een vakgebied binnen de filosofie en de geneeskunde waarin wordt nagedacht over een zo goed mogelijke uitvoering van de geneeskunde, en waarbij (het woord zegt het al) ethische vragen worden gesteld. Hoewel al in de eed van Hippocrates ethische richtlijnen voor artsen zijn opgenomen is de medische ethiek als vakgebied vooral begonnen in de jaren 60 van de twintigste eeuw.Toen leidde de voortschrijdende ontwikkeling van medische behandelwijzen en technieken tot de vraag of alles wat mogelijk is, ook gewenst is. Het proefschrift van Wim Eijk uit 1987 heeft vooral een ethische invalshoek:Euthanasie  "De zelfgekozen dood naar aanleiding van een dodelijke en ongeneeslijk zieke" Brugge 1987. Het is met name Harry Kuitert die zich afvraagt, hoe men nu vanuit de hedendaagse context Thomas hierbij kan halen! (H. Kuitert, Suïcide: Wat is er tegen? Zelfdoding in moreel perspectief, Baarn 1983/1984, 72-75). Zeker als men nadenkt over Chantal Sébire, die op 53-jarige leeftijd een morele keuze deed, die ik als katholiek in háár positie óók had gedaan! Ik heb in de inleiding en op de canones 849, 750 en 752 gewezen, waaruit blijkt dat daarvoor juridisch de ruimte is. Chantal_sebire

II. De moraaltheologie draagt vanuit de godservaring een normen- en waardensysteem aan voor de menselijke moraal. Hiermee komt moraaltheologie op het zelfde terrein als de ethiek. Hoewel de definitie betrekking heeft op alle soorten normen en waarden, is het gebied waarop de moraaltheologie vooral veel invloed deed gelden dat der seksualiteit. Hierboven heb ik bijvoorbeeld een scan gemaakt van het begin van het omstreden traktaat van Wim Eijk over homoseksualiteit. Tóch gaat het proefschrift van 1990 over Genetische Manipulatie.

Over de huidige Paus heb ik al meerdere keren vermeld, dat ik hem een knap theoloog maar in "zijn" overgang van het Rationalisme en Romantiek nét als Pius VI en VII een slecht leider vindt; een die in tegenstelling tot zijn voorganger geen helder strategisch inzicht heeft in beleid in het contact buiten de Kerk. Welnu, dé domste zet die hij tot nu toe heeft gedaan, is Wim Eijk aartsbisschop van Nederland maken….mede door zijn gezondheid en zijn solisme….Leo_xiii_3

En als u nu begint te proesten en mij belachelijk begint te maken, dan zeg ik: "zullen we een paar jaartjes wachten?" Want het conservatisme van de 19e eeuwse Romantiek begon écht machtig te worden met het herschrijven van de Ratio Studiorum (1832) of het veroordelen door Paus Gregorius XVI (1765-1846) van De Lamenais (ook 1832). Daarmee bleef de "dwaling geen rechten hebben" ("error non habet ius"), konden er indirect geen gescheiden machten komen in de vorm van de "Trias Politica" i.p.v. de Middeleeuwse "Twee Zwaardenleer" van Gelasius. Tot slot werd de Godsdienstvrijheid tot aan Vaticanum II afgewezen. Het ziet er dus allemaal positief uit voor restauratieve mensen. Maar tóch moet ik met de reeds aangehaalde theoretisch historicus Bornewasser een kleine aanpassing maken: rond drievierde van de kerkelijke 19e eeuw is conservatief; dat is omdat de conservatieve kardinalen (de "zelanti") in de meerderheid zijn. Maar áls de progressieve kardinalen (de "politicanti") een enkele keer de meerderheid krijgen, dan volgt er in een hele korte tijd héél veel Rationalisme!  Een man als Leo XIII (1810-1903) heeft in een korte tijd de Sociale leer, het wetenschappelijk onderwijs, het maatschappelijk bewust worden van katholieken veranderd. En zijn voorgangers -zelfs de van oorsprong liberale Pius IX (1792-1878)-vonden dit liberale gedachten…….


By on 19:16
DEEL III JEZUÏETEN Paragraaf III: Het bureau van Haye van der Meer s.J. (1925-Heden).

Jaren geleden las ik een bespreking van de literaire criticus Kees Fens (1929-2008) over het boek "Het behouden huis" (1952) van Willem Frederik Hermans (1921-1995). Hermans, ook wel het "enfant terrible" van de grote drie naoorlogse Nederlandse schrijvers  genoemd, was het meest doordrongen van boeken van de vooroorlogse existentialist L.F. Céline ( 1894-1961). En dan met name over de volstrekte chaos dat het "liberale wonder mens" van de Verlichting" ná WO I in feite was: een vernietigend wezen, dat daarin tot het uiterste ging. Die mens kón geen orde realiseren, de orde was de schijn voor het verbergen van een grote innerlijke chaos.

In het aangehaalde boek staat een Duitse generaal centraal, die er nadrukkelijk op staat dat iedere morgen precies op tijd een verzorgende aanwezig is voor het scheren van zijn baard. Dit is dé uiting van orde en cultuur! Maar geleidelijk aan wordt duidelijk, dat dezelfde ordelievende generaal alle ándere huizen in de stad plat heeft laten bombarderen. Want er bestaat in de visie van W.F. Hermans en Céline geen orde, maar slechts uiterlijke schijn; het is een gevestigde orde, volgens Fens.

Deze inleiding heb ik nodig voor een benadering van Haye van der Meer s.J. (1926-heden). Ik wil ook nog wel zeggen, dat ik ondanks kritiek een heel bijzondere sympathie voor deze man heb. Hij is bijvoorbeeld mijn rector geweest (1980-1986). En met alleen "de grote uitglijder "Lemmens"" over seksueel contact van een conrector met leerlingen, heeft hij het volgens mij heel goed gedaan.Van_der_meer_1e_foto Waar moet ik dan beginnen, om deze man te typeren?

Was het bij Penning, dat ik bij zijn pakken begon, bij Van der Meer begin ik bij de "gevestigde chaos", die ik tegenkom op ieder bureau dat hij langer dan een paar maanden in zijn bezit heeft. En dan verdedigt hij zich: "Ik weet alles terug te vinden!" En dat is natuurlijk waar, want Pater van der Meer weet natuurlijk altijd orde te scheppen in zíjn chaos. Maar wélke gedachtenfout maakt hij dan? Het verhaal hieronder gaat dus niet over het "Bureau van Voskuil", maar over dat van Van der Meer s.J. En in de weergave van de structuur van dat bureau meen ik de strekking van het boekje van W.F. Hermans terug te vinden.

Laten we eens naar de recente inzichten van de Informatiewetenschap kijken als ordeningsprincipe. Ik spreek hier bewust over informatie, want dat is een veel breder begrip dan een archief! Informatie is b.v. ook een cassettebandje, een videoband, een CD, een DvD, een USB-stick, een grammofoonplaat, een foto, een dia, een film, kortom: alles van tekst, beeld en geluid, dat men vast kan leggen en structureren.

Hoe legt men die informatie vast? Volgens talrijke ordeningsprincipes, die men b.v. onderling weer kan uitwisselen, en men registreert de geluiden, tekst en beelden op een CD. De manier waarop de Openbare Bibliotheek een classificatiesysteem op wetenschappelijke boeken toepast, is bijna dezelfde als waarmee Meneer Albert Heijn zijn producten ordent! Ik kan misschien beter een vergelijking geven: ik heb een Turkse kruidenier, waar ik regelmatig winkel. Hij heeft geen enkele logica in zijn winkel, en als ik b.v. de pindasaus moet hebben vraag ik het direct aan hem en verspil mijn tijd niet met zoeken. Maar hij heeft een zoon die bij een supermarkt werkt, die mij door de ordening van de informatie direct kan vertellen hoe de ordening van de pindasaus is. Wat wil dit zeggen voor ons verhaal? Welnu, Pater van der Meer lijkt een beetje op de Turkse kruidenier, die alléén zijn éigen informatie kan vinden! Pas wanneer hij een volledige geclassificeerde weergave van zijn bureaumateriaal weet te maken, waarin óók een ander zónder zijn hulp iets kan terugvinden, dán hebben we met een uitwisseling van informatie te maken…..Tot nu toe is het alleen nog een "gevestigde chaos", en geeft de Jezuïet zich op geen enkele wijze bloot in de systematische kennis van zijn informatie.

Een eerste opmerking die men dan ook over Van der Meer als denker kan maken is, dat hij wel veel materiaal op zijn bureau heeft liggen maar niet veel leest. Het kwam vaak eerder voor, dat hij zijn kennis via een lezing op een congres opdeed en daarop dan zelfstandig een publicatie produceerde.Ik hoef hier slechts te wijzen op de enorme invloed, die de overleden zenuwarts Jonkheer Dr. A.E.M. van der Does de Willebois op hem had. Van der Does de Willebois was mede verantwoordelijk voor de oprichting van de Nederlandse editie van het tijdschrift Communio (1976-heden). Hij heeft een paar prachtige artikelen geschreven, die in die periode voor mij een verademing naast het werk van sommige "Gijsengetrouwe theologen" waren. Ten laatste moet ik zeggen, dat hij een zeer aanstekelijk understatement als humor had en hij wist – onder invloed van de godsdienstpsychologie van M. Eliade, dus geen Otto – een opvallende relatie tussen geloof en menswetenschappen te leggen. Later kreeg hij de gelegenheid een integrale visie uit te dragen in het boekje "Het Vaderloze Tijdperk. Een cultuur-psychologische verkenning van de geseculariseerde samenleving" (1984). Dat verscheen in opdracht van het Bisdom Roermond en het is zonder meer de beste publicatie geweest die ik in díe periode in mijn handen heb gehad. De man is vroeg overleden, maar het zou volstrekt rechtvaardig zijn geweest als hij een plaats op een Nederlandse universiteit zou hebben gekregen namens de Radboudstichting. Zelfs in het liberale NRC stond, dat de publicatie van de zenuwarts van hoog niveau was, alleen de katholiek was "niet te pruimen"; een betere kritiek kan men hier niet krijgen….Welnu, díe katholieke man had een zeer positieve invloed op Van der Meer. En dan door het als het ware voortdurend herkauwen en abstraheren van zijn teksten.

Waar raakte de zenuwarts de moraaltheoloog? "Die Ehe ist ein weltliches Ding", had Luther (1483-1546) gezegd, en zo kortte hij alléén o.b.v. de H. Schrift het aantal sacramenten van 7 (nec minus nec plus/Trente( 1545-1563)) geleidelijk aan in tot twee (Avondmaal en Doopsel). Maar Van der Meer gaat verder dan de zenuwarts: hij bespreekt in deze geest tal van teksten uit Schrift en Traditie, waarin het "Rein und Unrein" rondom lichamelijkheid aanwezig waren. Daarin komt het ambivalente van het "tabu" tot uiting. En hij gaf van analyses uit het Boek Leviticus over "cultische-", "seksuele-" en "vegetarische reinheid", waarmee hij de secularisatie van het katholieke gevoel bekritiseert. Als ik het weer lees, en weer herlees, krijg ik weer het warme geloofsgevoel dat ik in het vorige hoofdstuk heb besproken. Toch zou ik de inhoud op het geloof toepassen, terwijl Van der Meer het toepast op de seksuele moraal. Dát is ook het kenmerk van een behoudende Jezuïet in deze periode: net als in het begin van de Romantiek is men met geloof (Vgl. Canon 750) bezig, en doet van daaruit een uitspraak over moreel leven (Vgl. Canon 752). Wil men Van der Meers analytisch denken wérkelijk volgen, lees dan het boekje "Liefde en seksualiteit. Van Theologie naar moraal" (Brugge, 1984/ISBN:9065970223).

Verder blijft het denken van Van der Meer over moraal een intense spanning tussen de klassieke katholieke prediking en de pastoraal van de "Leeuw" en het "Lam"; de priester verkondigt op de preekstoel als een "Leeuw" de kerkelijke leer, en in de Biechtstoel is hij mild als een "Lam". Ik heb deze zin al gezegd, maar die is dus van Van der Meer: "Meine Herren, es gibt nichts, wass es nicht gibt!" En de Biechteling heeft geen inbreng op de vraag, wát zonde is; de "Biechtmaterie" ligt al vast.  Van der Meer maakt b.v. in 1979 in het Vlaamse theologische blad "Emmaüs" een analyse van de encycliek Humanae Vitae (1968). Maar als ik hem in een persoonlijk gesprek duidelijk maak dat ik dit niet meer kan "verkopen" aan mijn oorspronkelijk hele katholieke familie op het platteland, vermeldt hij me dat dit vanuit de gehoorzaamheid een van de grootste kruisen van een priester is…..!

Natuurlijk kon Van der Meer dan ook de leer van Persona Humana (1975) verdedigen, waarin aan iedere Bisschop als herder van het geloof iedere vorm van seksualiteit búiten het sacramentele Huwelijk verboden werd. Men wees daarbij op zelfbevrediging, samenwonen en een homoseksuele relatie. In werkelijkheid ging het hier vooral om de moraaltheologen CH. E. Curran s.J. ( Contemporary problems in Moral Theology, 1970) en S.H. Pfürtner O.P. (Kirche und Sexualität, 1972). Maar ook op het punt van homoseksualiteit had hij kruisen. Zijn 4e gelofte van gehoorzaamheid dwong hem te gehoorzamen aan de uitspraken van de Paus. Maar laat nu net in "Persona Humana" de ruimte gegeven worden, om wetenschappelijk vanuit twee richtingen (erfelijk of reversibel) ernaar te kijken! En laat nu nét de onderstaande Pastoraal-psycholoog van Rolduc en de Tiltenberg, Van den Aardweg, zich scheel aan de uitpraak van Rome ergeren…. Dr. G. van den AardwegVan_den_aardweg  was docent en heeft de overduidelijke stelling dat homoseksualiteit reversibel is en niet erfelijk, maar heeft Van der Meer níet kunnen overtuigen…..Dit moet samenhangen met het feit, dat Van der Meer een oordeel moest vormen over priesterstudenten en priesters. En hij zal als rector van twee generaties priesters (vóór en ná 1968) hebben gezien, dat een toenemend aantal homoseksuele mannen voor het ambt koos.

Was het omdat het priesterprofiel van ná 1968 voor een niet onbelangrijk deel door homoseksualiteit is getekend, en niet meer door de oudste zoon in het gezin die een "oedipuscomplex" heeft in de relatie tot zijn vader en moeder? Het is op het moment heel opvallend, dat mannelijke homoseksuelen voorkomen in bepaalde maatschappelijke beroepen, en daaronder valt ná 1968 óók het priesterschap. Er kan dan ook niet ten overvloede op gewezen worden, dat psychologische studies wel het priestermodel van vóór 1968 (Drewermann, Willem Berger e.a.) proberen te analyseren, terwijl een heldere analyse van het priestermodel van ná 1968 achterwege blijft! Het zou b.v. interessant zijn, om integer allerlei psychologische onderzoeken van seminaristen naast elkaar te leggen, en dan kan men vrijwel zeker op de "anti-keuzes" (scheiding ouders, "mechanisering wereldbeeld", homofilie, hernieuwde keuze naar de moraal van de jeugd, e.a.), ten opzichte van onze cultuur komen.

Het zou wel eens kunnen zijn, dat Haye van der Meer op dit gebied veel voorzichtiger is dan Wim Eijk. De tractaten over homofilieWim_eijk_moraal van Wim Eijk stonden eertijds op de website van de NRC, en heb ik voor mijn archief uitgedraaid en vergeleken met de 3 teksten in Hervormd Nederland van 21 augustus tot en met 4 september 1999 van de kerkhistoricus Ton van Schaik. De laatste heeft zich in Hervormd Nederland vrijwel geheel aan de tekst gehouden. Er is slechts grotendeels het verwoorden van de psychologie van Van den Aardweg! Wat men Wim vooral moet verwijten, is zijn gevoelloosheid.

 

En gingen publicaties, met name ,zijn proefschrift "Priestertum der Frau", voorheen globaal genomen over de verhouding "mannetje-vrouwtje", zijn latere publicaties gaan daarover in de kern óók en nu is het wéér die 4e gelofte. Ditmaal aan de morele geschriften van de nieuwe Paus, Paus Johannes Paulus II (1998-2005). Met name het boek "Naar Gods beeld man en vrouw" dat in 1981 in een Nederlandse vertaling verscheen. En het document over de waardigheid van de vrouw ", Mulieris Dignitatem" (1988), dat het onderwerp van het Proefschrift van Van der Meer bij Rahner voor een deel bepaalde. Tenslotte de Apostolische Brief "Ordinatio Sacerdotalis" van 22-5-1994 over het afwijzen van het Priesterschap van de vrouw. Ik geef nu hier een heel duidelijk moreel voorbeeld hoe "gehoorzaamheid" bij Van der Meer s.J. moet zijn voorgekomen, maar dit gold dus voor tál van morele punten! 

Maar de ironie wilde, dat het Proefschrift van eind jaren zestig hem antiquarisch bleef achtervolgen. Als theologisch wetenschapper heeft hij dáármee werkelijk naam gemaakt! Laten we aannemen, dat zijn proefschrift van rond 1969 was. Het verdedigen van de visie van de Paus over het afwijzen van het priesterschap van de vrouw gebeurde in een artikel van 7-6-1994 in Trouw met de titel: "Waarom de vrouw geen priester kan worden"! Een draai van 180% in 25 jaar! Koppelen we dit gegeven aan de voorgaande informatie over de positie van Van der Meer als "historicus" over de periode Verlichting en Romantiek, dan is Van der Meer bij uitstek een Talleyrand! Maar als we verder komen, zien we meerdere mensen die onderhevig zijn aan de analyse van Ratzinger over deze en onze periode….

De 4e gelofte van Van der Meer dwingt hem in de interpretatie van c. 752 tot gehoorzaamheid aan de Paus, en zijn reactie was dan ook duidelijk toen ik hem zei: "Pater, ik ben o.b.v. c. 948 gewoon katholiek, alleen in de interpretatie van c. 752 een beetje ongehoorzaam katholiek…En hij zei: "Ja maar John, het is toch ons doel om gehoorzaam katholiek te zijn?" Ik ben daar niet op ingegaan, maar dacht: álle maatschappelijke veranderingen in de jaren ’70-’90 zijn ontstaan door burgerlijke ongehoorzaamheid in de jaren ’60. Een studentendevies als "liever langharig, dan kortzichtig" Langhaar zal ook in de Kerk geleidelijk aan invloed krijgen. Ook heb ik u beschreven over mijn Katholieke vader, die het katholieke sjoemelen in zijn genen had, en ik dus ook…..Tenslotte wijs ik op de historische strekking van het geheel: een Neo-Conservatisme lokt natuurlijk weer een progressieve reactie uit! Dat hoeft maar door een enkele Paus en een wisseling in het kardinalencollege te gebeuren…..

Canones uit de Codex van 1983:

(1). Can. 752 – Weliswaar geen geloofsinstemming maar wel een religieuze volgzaamheid van verstand en wil moeten betracht worden ten overstaan van een leer die hetzij de Paus hetzij het Bisschoppencollege inzake geloof of zeden naar voren brengen, wanneer zij hun authentiek leergezag uitoefenen, ook al hebben zij niet de bedoeling deze bij definitieve act af te kondigen; bijgevolg dienen christengelovigen ervoor te zorgen om te mijden wat met deze leer niet strookt.

(2). Can. 750 – § 1 Met goddelijk en katholiek geloof moet geloofd worden alles wat vervat is in het geschreven of overgeleverd woord van God, namelijk in het ene geloofsgoed dat aan de Kerk toevertrouwd is en dat tegelijk als van Godswege geopenbaard voorgehouden wordt, hetzij door het plechtig leergezag van de Kerk hetzij door het gewoon en universeel leergezag, dat zeker ook door het gemeenschappelijk aanvaarden van de christengelovigen onder leiding van het heilig leergezag tot uiting gebracht wordt; derhalve zijn allen verplicht welke leerstellingen dan ook te mijden die hiermee in strijd zijn.
(§ 2 Ook moet vast aanvaard en gehouden worden alle leerstellingen die afzonderlijk en tezamen met betrekking tot een leer over geloof of zeden door het leergezag van de Kerk definitief worden voorgehouden, welke namelijk vereist zijn om dit geloofsgoed heilig te bewaren en getrouw uit te leggen; daarom is met de leer van de Kerk in strijd wie deze definitief te houden uitspraken afwijst.

(3). Can. 849 – Het doopsel, toegangspoort tot de sacramenten, in werkelijkheid of ten minste in verlangen noodzakelijk tot het heil, waardoor de mensen van de zonde bevrijd, tot kinderen van God herboren en, door een onuitwisbaar merkteken aan Christus gelijkvorming gemaakt, in de Kerk ingelijfd worden, wordt alleen door een wassing met echt water samen met de vereiste vorm van de doopwoorden geldig toegediend.


By on 19:12
DEEL III JEZUÏETEN Paragraaf II: De pakken van Piet Penning de Vries s.J. (1928-1995).

Toen ik in 1980 op Rolduc kwam, had ik nog nooit zo’n vreemde pater gezien! En ik ben w.b.t. mijn scholen héél kerkelijk opgevoed: de Zusters van Liefde van Tilburg, die een kleuterschool hadden in Den Haag (1964-1966), de Broeders van Maastricht die meerdere lagere scholen hadden in Den Haag (1966-1972), en de Paters SCJ die eerder op de middenstanders waren gericht dan het elitaire Aloysius Jezuïetencollege in Den Haag (1972-1978); in de volksmond werden de SCJ wel de Jezuïeten met een hart genoemd (Cor/cordis = hart). De werkelijk geniale Ronald Plasterk, zat drie jaar boven mij en kwam gewoon uit een eenvoudige wijk! Jammer, dat die jongen het geloof van zijn middelbare school kwijt is geraakt! Maar het troost me, dat hij in De Volkskrant regelmatig over onze middelbare school van de SCJ heeft geschreven.

Waarom vond ik Penning A3piet_penning_de_vries_sj (zo werd zijn naam afgekort) zo’n vreemde vogel? Nu Penning had b.v. twee pakken, één geheel grijs versleten pak en één pak waar hij nog nét in kon en dat nog een beetje een zwarte kleur had. Normaal gesproken droeg hij het versleten pak, maar op stille weekeinden (één keer per twee maanden) droeg hij dat, laten we noemen, "zondagse pak". Goed dat er niet zoveel stille weekeinden waren, want hij was eruit geknald!

Deze pakken waren de metafoor voor het begrijpen van zijn innerlijk leven: Penning hield niet van uiterlijk vertoon, en keek recht door uiterlijke schijn heen. In zijn kamer stond alleen nog een bureau waar ik jaloers op was, een afgeleefde schooltas van zijn jeugd, vier afschuwelijk gekleurde stoelen, de ingebonden traktaten van zijn colleges op het Canissianum in Maastricht, de studies van Rolduciëns die hij gratis had gekregen, een prachtige paarse stola die hij kuste als hij de Biecht afnam, en dan het allermooiste: rond Kerstmis en Pasen stond zijn gehele kamer vol met kaarten. Van wie? Ik zou het écht niet weten! Ik heb het nooit gedurfd, om ook maar één kaart op te pakken en te lezen. Ik begreep wél, dat ze van ándere mensen dan Rolduciëns waren waar hij zich óók voor inzette. Maar het contrast van zijn innerlijke boodschap was zo duidelijk: géén bezittingen, en tegelijkertijd een intens grote immateriële rijkdom…… Paul Begheyn had Penning verweten, dat hij zich niet engageerde met maatschappelijke fenomenen. Waarom geen openlijke steun aan de Politieke- en Bevrijdingstheologie? Penning antwoordde daarop, dat hij het "kleiner" zocht: hij keek naar onrecht in een groep als Rolduc, en daaraan had hij zijn handen al vol. Ik heb vaak vermoed, dat ik een van de uitverkorenen was.

Van zó’n innerlijk rijke man leer je Biechten, niet straffend maar in een therapeutische zin. Ik realiseer me echter dat als hij nu in mijn woonkamer zat, dat we een discussie zouden krijgen over de inhoud van biechtmaterie. Maar het beeld van die intens liefdevolle God die ik als Barmhartig ervaar heb ik van hém, en laat ik nooit meer los. Ik ben meerdere keren in mijn leven veel kwijtgeraakt, maar op díe momenten weet ik dat de combinatie van Eucharistie en Biecht de rijkste combinatie is die een mens kan bezitten.

En het unieke in de begeleiding van Penning was, dat hij iedere student vanuit zijn eigen context benaderde. Hij leefde zich heel diep in in een persoon, en dát is voor mij het "Wonder van Rolduc" geweest! Want als men een onderzoekje zou houden onder de mensen die door Piet Penning zijn begeleid óf anderen, dan haal je de "Pennianen" eruit; ik heb de meest vreemde "Pennianen" gezien, maar geen enkele vreemde vogel die innerlijk (dus niet volgens allerlei details en rubrieken) niet meer loyaal is aan de Kerk…..De leermeester was immers ook een hele vreemde vogel, die dat volkomen loszag van de inhoud. Ik herhaal: dát was de rijkdom, waar ik nog dagelijks aan denk en voor bid.

En als ik dagelijks aan hem denk, dan denk ik altijd aan de manier hoe hij met mijn ziekte omging. Een bi-polair patient kan door spanning niet bidden. Als ik echter op zijn deur klopte en zijn harde "Ja" hoorde, zag ik een man die me in de maling nam. En hij vroeg me altijd, of ik een of andere sport beoefend had. Als ik nu niet kan bidden, denk ik terug aan die glimlach en zijn nadruk op sport in mijn leven; want dan gaat de spanning weg. Ik heb meerdere begeleiders gehad, maar dit emotioneert me nog steeds omdat het een razend knappe therapie was. Penning is voor mij dan ook de enige heilige man, die ik in mijn leven heb ontmoet.

Ik zal een voorbeeld geven: Penning gaf aan iedereen cadeautjes. Ik kreeg altijd "linkse kadootjes"! Op een gegeven moment staat Piet Penning tegenover me met twee boeken van en over Mgr. drs. J.W.M. BluyssenBluyssen , voormalig Bisschop van Den Bosch die in die tijd om medische redenen was afgetreden. Nu was Mgr. Bluysen in de wereld van Rolduc een soort "watje", dus ik keek Penning aan. En hij zei: "Ja, ik heb een zeer diep respect voor Mgr. Bluysen….." Dit voorval heeft me lang beziggehouden, en uiteindelijk ben ik de oplossing gaan zoeken in het gegeven dat Mgr. Bluyssen, vóórdat hij hulpbisschop van Mgr. Bekkers werd, spirituaal was geweest op het Kleinseminarie van het Bisdom Den Bosch. En ik kende het devies van onze moraallessen over de Biecht: "Meine herren, es gibt nichts wass es nicht gibt!" Dus ze hebben beiden iedere mens in zijn zwakste positie gekend……, afhankelijk van de visie op de "Biechtmaterie". Ik begon bijna te verlangen, dat Piet Penning na de benoemingen van hulpbisschoppen e.a. in 1983 óók beleidsman werd…..Hij zou de waardering van veel meer Jezuïeten hebben gekregen, dan hij nu heeft gehad. En dat zou terecht zijn geweest.

Penning is voor mij – zoals gezegd -een intense hulp geweest in het leren beheersen van een erfelijke mentale ziekte. Als álle beleidslieden in de R.K. Kerk mijn kwetsbaarheid zó hadden gerespecteerd als híj, dan zou ik niet weten welke hoek me aansprak, welke kleur ik van belang zou vinden, welke spierballen sterk zouden zijn, of ik de nacht aantrekkelijker zou vinden dan de dag, of de warmte die je zoekt in de Kerk niet allereerst iets is dat je zélf uitstraalt, ja zelfs de dood kan soms interessanter zijn dan het leven. Penning kon een beetje depressief en eenzaam zijn. Misschien is dát het antwoord.Bron_geestelijke_oefeningen_2 En zijn onderscheiding der geesten sloot daarop aan.

Veel Nederlandse Jezuïeten hebben mij er later op gewezen, dat Piet Penning in het Amsterdam van de KTHA (eind jaren zestig) niet zo’n aardige jongen was. Maar ik weet wel dat als Piet Penning bij mij zou hebben gedaan wat in Amsterdam is voorgevallen, ik anders zou denken. Maar zo ken ik hem niet! Want als ik me weer te druk maakte, ken ik hem als de pater waarmee ik menig museum, kerk, abdij etc. heb bezocht. Ik heb van niemand zoveel kunstgeschiedenis en praktische profane geschiedenis geleerd, als van hem. En omdat hij mijn werkstukken nakeek, hebben we uren gediscussieerd of de plaats van de komma nu in zíjn of in míjn geschriften verkeerd stond! Ik heb hem zelfs het zwijgen willen opleggen met een dikke pil met de titel "De Komma". Maar hij had het nog gelezen ook…En wat nóg grappiger is: onlangs is uit psychologische onderzoek bekend geworden, dat ik een lichte vorm van dyslexie heb. Dát had Penning eens moeten weten!

Ik wil alleen een kanttekening plaatsen bij het boek, dat zijn confrater Dr. J. Bots na de dood van Penning heeft geschreven. Ik vermoed dat Bots langere tijd het Archief van Penning in zijn bezit heeft  gehad, maar wat hij eruit kan hebben gehaald deed mij schrikken. Ik zal dan ook niet alles herhalen. Er is een relatie met de "moederloze Ignatius"/ Aan de bronnen, s.a.13-30/ISBN 9060756312); want de wees Pietje Penning de Vries is getekend door een tekort aan aandacht van een moeder. Zoals ook de moederloze Ignatius de aandacht trok van talloze moederfiguren. Iets dergelijks had ook een rol in het contact van het aanhalen en afwijzen van zusters, waar Penning retraites gaf. En dan heeft Ignatius nog geen eigen vader gekend!  Volgens mij is Penning volledig door broeders opgevoed! Maar een ding voeg ik toe: ik kon geen betere identificatiefiguur treffen als jongen waarvan de vader vroeg is overleden (1972). Want de wees die (hoogstwaarschijnlijk) door celibataire broeders was opgevoed, had hetzelfde proces doorgemaakt.

Toen ik in de zomer van 2007 bij zijn graf stond, kon ik het moeilijk verwerken dat een voor mij zó’n belangrijke man niet op het "Jonkersbos"  (s.J) mocht worden begraven. Want hij hoorde bij Rolduc, maar stond wel bijna tussen het onkruid ….De struik die u hierboven tot in detail kan zien door de foto aan te klikken, gaf qua uitstraling geen enthousiaste verzorging  aan!Penning_2

B51En nog een ding: vanaf het derde jaar dat ik op Rolduc zat (1983-1986), ben ik naar de Vlaamse Jezuïeten van Godsheide (Hasselt) geweest. Dat was een verstandige keuze, want bij de retraites van Penning hield ik het niet uit. Maar nu stond in Godsheide de afkorting SJ (Societas Jesu) op deze wijze: s.J. (dus een kleine s, en een grote J). Ik dacht dat dat "ketters" was, dus ik leg het later voor aan Penning. En die zei: "Dát is prachtig zeg! Daarmee druk je uit, dat de Sociëteit alléén maar bestaat bij de gratie van Christus!" En sindsdien – het kán weer niet linkser – schrijf ik s.J.! Maar de herkomst is duidelijk! Kijk maar boven naar de titel! Nu ik 14 jaar na de dood van Penning op hem als Jezuïet terugkijk, ben ik nog steeds iedere dag dankbaar. Als ik b.v. wil bidden en het lukt me niet, denk ik aan hém. En nu spiritualiteit in de psychiatrie geleidelijk aan ontdekt wordt, heb ik zo’n intense voorrang op andere mensen! Als u trouwens meer wilt weten over de begeleiding van Penning, zie  dan  de bijlage "En nu de moraal!" achterin deel II. Bij de bespreking van Haring en Willem Duynstee.


By on 18:58
DEEL III JEZUÏETEN paragraaf I: 1773-1814 en 1950-2000. Een vergelijking van twee periodes uit de geschiedenis van de s.J. in West-Europa.

INLEIDING.Ignatius_2         

De Jezuïet Paul Begheyn s.J. heeft in het orde-blad "SJ" van de jaren ’80 een Ignatius_4 geschiedenis proberen te schrijven van de Jezuïeten in de Lage Landen. Ging het nu over de periode dat er handboeken voor de Nederlandse kerkgeschiedenis aanwezig zijn (Rogier 16e-17e eeuw, Polman 18e eeuw, Rogier en De Rooy (1853-1953), dan was er geen probleem. Maar dáárna wel! Ik noem een aantal gegevens op:

1. Hij ging in op de genialiteit en individualiteit van vooraanstaande Jezuïeten in de periode ná 1950. Daarmee verzonk hij in het detail, en kende hij niet de grote lijnen. Ik erken, dat deze methode ook gebruikt is in het alom bekende boek "De Jezuïeten. Wat zij zijn en hoe zij werken" (2e druk 1964) van M. Dierickx s.J.. Maar dat is géén geschiedschrijving.

2. Hij neigt tot een polariserende stijl van schrijven. Met name ten opzichte van de toenmalige Jezuïeten in het Bisdom Roermond.Paul_begeyn_sj

3. Hij is archivistisch. Zeker vanwege het publiceren van twee prachtige bundels over het archief van de Nederlandse s.J. aan de Houtlaan in Nijmegen durf ik zeggen, dat Begheyn zijn werkelijke roeping pas op latere leeftijd heeft gevonden. Ik vind hem namelijk méér archivaris, dan historicus!Begeyn_2

Wat kunnen we hieruit leren? Ik ben niet in staat om me, zoals Paul, indirect te baseren op archieven. Ik moet de recente periode over het Rationalisme van ná 1950-2000 zakelijk en zónder polarisatie te beschrijven. Er worden hier alléén grote lijnen getrokken.

I. DE PERIODE 1773-1814.

Als men een kerkhistorische beschrijving over Kerk en Verlichting doorneemt, dan valt altijd op dat het accent valt op het anti-kerkelijke karakter van De Verlichting. En omdat de Jezuïeten een 4e gelofte hadden aan de Paus wordt het betreurd, dat het Centralisme van de Paus Pius VI (1717-1799) verminderde toen de Orde in 1773 werd opgeheven.Pius_vi 

In werkelijkheid is die Kerk op dát moment een verouderd bolwerk, dat nog ideeën had die in de hoge Middeleeuwen thuishoorden. Bovendien was het ook een Kerk, die heel bewust "het vooruitgangsgeloof" van de Verlichting tegenwerkte. Niet in de laatste plaats door de intellectueel geschoolde Jezuïeten, die geheel dienstbaar waren aan het Centralisme. Men mag er dan ook van uitgaan, dat Jezuïeten en ontheven Jezuïeten in de periode van 1773-1814 verouderde theologische en maatschappelijke ideeën hadden. Maar omdat ze tot in vergaande verhoudingen machtsinvloeden hadden, vormden ze werkelijk de grote ergernis van Verlichte denkers.

Laat ik een aantal van die punten opnoemen:
Kerkelijke intellectuelen hielden voor de maatschappelijke inrichting vast aan de "Twee Zwaardenleer" van Paus Gelasius (492-496), die gebaseerd was op het Nieuwe Testament (Mt. 22, 16-21; Rom. 13, 1-7; 1 Tim.2, 1-2; Titus 3,1; 1Petrus 2, 13-15 ). Er was in de politieke theorie van het Vaticaan alléén sprake van één geestelijke macht (de Paus) en één wereldlijke macht (de Keizer), en eigenlijk was die keizer ondergeschikt aan de Paus. Deze visie heeft gelding gehad van de keizerskroning van Karel de Grote in 800 tot en met de Keizerskroning van Napoleon (1804). Maar Napoleon kroonde alleen zichzelf, en gaf daarmee aan zelfstandig de wereldlijke macht van God te hebben ontvangen. En niet indirect via een hogere geestelijke macht van de Paus.Voltaire

Diderot Iedere vorm van denken over de "Trias Politica", de godsdienstvrijheid, een meer democratisch bestuur in de Kerk en wereld, een Grondwet waaraan het gehele maatschappelijk en kerkelijk beleid zich moest spiegelen, de intellectuele vrijheid in de relatie Geloof-Wetenschap, etc. was in het kerkelijk denken afwezig. En als we eerlijk zijn, dan moeten we erkennen dat pas op Vaticanum II (1962-1965) serieuzer is ingegaan op de erfenis van de Verlichting! De Kerk heeft tóen pas voor het eerst voor een deel erkend, dat men voorheen onjuist heeft gehandeld tegenover de ontwikkeling van de wetenschap, het wereldbeeld, de verhouding Kerk-wereld, geloof en natuurwetenschappen, etc.. Zelfs de vorige Paus ging nog herhaaldelijk in op het onrecht, dat internationaal begaafde wetenschappers van Rome hebben ondervonden. En ten aanzien van de ontwikkeling van de wetenschap hanteert de leiding van de Kerk in de geschiedenis van de "Moderniteit" twee maten: een "progressieve" houding tegenover God en natuurwetenschappen in en over de Schepping, en een "conservatieve" houding tegenover God en seksuele ethiek.

Het zijn in de Verlichting de Franse intellectuelen, die een atheïsme voorstaan. Maar de intellectuelen rond Beieren, Oostenrijk, Tirol e.a. zijn voorstanders van een Katholieke Verlichting.Pistoia En tot nu toe heb ik in de vorige bijdragen alleen over die laatste groep gesproken, omdat standpunten rond democratie in de Kerk, het Deïstische Godsbeeld, het afschaffen van kerkelijk recht, celibaat echtscheiding, pedagodie, liturgie in de volkstaal, e.a. uitmonden in de later veroordeelde Synode van Pistoia (1786). In wezen zijn ze een weerslag van een elite van intellectuelen die qua denken veel overeenkomsten vertoont met de elite van het Pastoraal Concilie van Noordwijkerhout (1968-1970). Ook een deel van de Jezuïeten behoorde tot de intellectuelen van die laatste periode van Noordwijkerhout. Pistoia_2

De Jezuïeten van 1773-1814 hebben daaraan niet direct meegedaan. De orde werd opgeheven, en bleef in enkele delen van Europa bestaan. Maar de Jezuïeten bleven priester en zijn wereldheren onder een Bisschop geworden. Als we dan ook naar de ambassadestaties in Den Haag kijken, dan verlaten de Jezuïeten bijvoorbeeld de Franse Ambassadekapel (Boskant), en komt de OFM voortaan aldaar. De Theresiakapel van de Spaanse kapel overleeft de periode 1773-1814, en komt in de Romantiek weer in handen van de s.J.. Het is met name de 19e eeuwse Pater Alberts s.J., die over dit "wonder" veel heeft geschreven. Maar hoe de relatie met de andere katholieke Ambassadekapellen was (Oostenrijk, Portugal, Napels en Venetië), is onduidelijk. Want de archieven liggen in de Nationale Archieven van de betrokken landen. Voor de kerkgeschiedenis van Den Haag is het in ieder geval van zeer groot belang, dat de s.J. (Spaanse ambassadekapel en de nog bestaande statie in de Nobelstraat) Doopboeken hebben achtergelaten! Want die liggen op het Gemeentearchief.

Ik vermoed, dat in de overgang van het Rationalisme naar de Romantiek een verspiritualisering van "anonieme Jezuïeten" heeft plaatsgevonden. Want de verinnerlijkingGeestelijke_oefeningen , die zich overal aan het begin van de 19e eeuw voltrok, kán niet aan de anonieme s.J. voorbij zijn gegaan; men zal na de opheffing dan ook terdege het authentieke van de "Geestelijke Oefeningen" én de "Constituties" zijn gaan herontdekken. Zoals ook heden ten dage meerdere vertalingen van de Geestelijke Oefeningen de ronde doen. Dus niet alleen de vertaling van Mark Rotsaert s.J. (1996) van hiernaast, of A. Geerebaert s.J. (1924), Tesser s.J. (1957) of die van Penning de Vries s.J. (1968) e.a.. Voor een leek die geen Spaans kent, is het verschil nauwelijks kenbaar, en het gaat me om het kerkhistorische gegeven "verinnerlijking" en niet de vraag welke "kleur" erbij past!

Ook al waren de voormalige Jezuïeten formeel seculiere clerici geworden, ze zochten waarschijnlijk de "de weg terug" naar de bronnen omdat de gehele Romantiek zich kenmerkt door een "teruggaan naar bronnen". Ik kan dan ook niet anders begrijpen, dan dat Roothaan in de voormalige Jezuïetenkerk "De Krijtberg" aan de Singel in Amsterdam door de spiritualiteit van de (opgeheven) s.J. geraakt werd. Hij moet beïnvloed zijn geweest door de inhoud en vorm van het gebed van de geseculariseerde Jezuïeten, die gewoon hun traditionele spiritualiteit behielden.

II. DE PERIODE 1950-2000.

Vóórdat ik inga op de "Neo-Verlichting" van 1950-2000 pas ik het historiografiemodel van Ratzinger toe. Want daarover hebben we gezegd: "In het verleden ligt het heden, in het heden de toekomst!" Jezuïetenhistorici zijn nu bijvoorbeeld geneigd, om heel bijzonder de persoon van Roothaan (1785-1853) centraal te stellen, die in 1829 de 21e Generaal-Overste werd na de heroprichting van de Orde onder Pius VII (1800-1823). Vanwege het herstel wordt hij wel de 2e stichter van de Jezuïeten genoemd.Roothaan_2 Maar dát is dus weer die individualiserende tendens, waardoor men de grote lijnen niet Herstel_van_de_sociteit_door_pius_vmeer ziet. Want Roothaan is een knap individu, maar staat geheel in de collectieve stroming van de kerkelijke Romantiek (1774-1950). Die is niet alleen spiritueel (hij heeft zoals gezegd bijvoorbeeld ook de Geestelijke Oefeningen vertaald) maar ook uiterst conservatief!

Men mag in het algemeen een sympathie hebben voor de herleving van de 19e eeuwse spiritualiteit, maar die is niet altijd in de zin van het verzorgen van het lichaam, de emoties, het omgaan met de passies Vgl. G.O. 121-129). Als men in Den Haag de bronnen naloopt van de eerste vestigingen van de Broeders van Maastricht (FIC), die voor onderwijs onder arbeiders en middenstanders naar Den Haag kwamen, valt op hóe spiritueel ongezond ze leven! Als men de reactie wil begrijpen op de Geestelijke Oefeningen in het tijdperk van ná 1950, dan ligt die ook in de dezelfde verstervende ascese uitgedrukt. Het gaat dan om begrippen als "voluntarisme" en het onderdrukken in het seksuele "agere contra" (Vgl. G.O. 13, 16, 97, 157, 168, 199, 319, 321, 323 en 324) e.a..

Maar er zijn meerdere "rechtse" punten! We kennen dan b.v. geen nieuwe bouwstijl, want het is een "neo-stijl" van de Middeleeuwen; Paus Pius IX (1846-1878) krijgt in 1871 (mede onder invloed van de s.J.) een macht, die zelfs Bonifatius VIII (1235-1313) niet heeft gehad; de kerkjuristen in de 19e eeuw spreken in een eeuw van extreem politiek nationalisme van een "Perfecte Staat", een "Societas Perfecta" die bóven alle nationale wetgevingen staat, en de Wetgeving van 1917 staat dan ook bóven die van Nationale Staten; de definiëring van de moraal krijgt boventijdelijke metafysieke trekken en de man waarop men zich baseert, Thomas van Aquino (1225-1274), wordt de "homo omnium horarum" genoemd; die (seksuele) moraal mag niet gerelativeerd worden door de "Regulae Iuris" (Beemer, 1983); de godsdienstvrijheid en de afwijzing van de leer van "Twee zwaarden" van o.m. Felix de Lamennais (1782-1854) worden veroordeeld door Gregorius XVI (1765-1846) in 1832. Etc..

De voormalige jezuïet Peter RaedtsRaedts_2  heeft in twee artikelen erop gewezen, dat de kerkgeschiedenis van de 19e eeuw een soort wazig herbeleven van de voorbije identiteit van de Middeleeuwen is ("Christelijke Middeleeuwen als mythe. Ontstaan en gebruik van een constructie uit de negentiende eeuw, TvT 30(1990) en "Katholieken op zoek naar een Nederlandse identiteit 1814-1989, in: BMGN 107(1992 713-725)).

En de orde van de 19e eeuw is in deze geest geordend. Want als Jezuïeten aan kerkelijke discussies meedoen, kiezen ze in het kerkelijk denken altijd voor een behoudende hiërarchische visie. Té weinig realiseert men zich heden ten dage binnen de s.J., dat het afwijzen van het 14e eeuwse Conciliarisme en het 18e eeuwse Gallicanisme, Jansenisme en Episcopalisme essentieel de gehoorzaamheidscultus moet hebben veroorzaakt binnen de orde; net goed als ik hier later de gehoorzaamheid van de Jezuiet Haye van der Meer aan Rome als een reactie op de vele kerkmodellen van Noordwijkerhout en later moet zien! Het beeld dat Raedts geeft, is dan ook het beeld van een orde uit de conservatieve Romantiek tót ongeveer 1950. Daarop móesten reacties komen. Ik som nu drie elementen op, die in Nederlandstalige literatuur van en over Jezuïeten voorkomen:

-1. Als het om de gehoorzaamheid gaat, dan doet het boek van M van Smits van WaesbergheWaesberghe s.J.  "De geest van Ignatius in zijn orde" (1940) denken aan de structuur van de SSSs van Himmler. De bijlage hier links geeft de indruk, dat hij op dit thema in 1940 in Rome is gepromoveerd. 

-2. Grossouw wijst in zijn memoires over een voluntaristische moraal van zijn biechtvader R. Oppenraaij s.J. (1856-1936) in Rome, die een Jezuïet was. Ignatius was voor hem een spirituele epigoon, maar latere leiders hebben zijn Geestelijke Oefeningen tot een voluntaristische "wilsgymnastiek" gemaakt. Pas Pater W. Duynstee C.S.S.R. en Terruwe konden hem verder helpen, en dat kan ook wel voor meerdere mensen hebben gegolden. ("Alles is van U. Gewijde en profane herinneringen" Baarn: Ambo 1981, 157-160 en 236-237, e.a.).

-3. Om een beeld te krijgen van de spiritualiteit in deze periode wijs ik op de beklemmende delen uit de memoires van Paul Begheyn s.J., die onder meer zijn periode in het noviciaat beschrijft ("Maar wie ben ik? Metamorfose van een roeping, Nijmegen 1999, 65vv.). Pater Jan Bots s.J. wijst voor de veranderingen in de spiritualiteit doorlopend op een pater Peeters, die naar de USA ging en de leermeester moet zijn geweest voor de vertaling van de Geestelijke Oefeningen en het Geestelijk Dagboek van Penning de Vries (1968). Peeters zou voor Penning model hebben gestaan voor een gevoelsspiritualiteit, en niet een rationele spiritualiteit. Penning heeft rond 1968 ook zijn twee mooiste boeken geschreven ("Aan de bronnen" (s.a.) en "Geestelijk leven vandaag" (s.a)), maar de idee dat alléén de kring rondom hem "terugging naar de bronnen" is volledig achterhaald. Een herbezinning op de bronnen ziet men in alle geledingen.

Maar de onvermijdelijke reactie van ná 1950 sloeg dóór. Hét grote verschil met de secularisatie in de bovenstaande periode van Rationalisme van 1773-1814 en de periode 1950-2000 is: was het in de vorige periode, dat de secularisatie búiten de Orde zat en er geheel aan voorbijging, in de laatste periode zit die ín de orde. Men kan bijna zeggen, dat Jezuïeten als kerkelijke intellectuelen de "Neo-Verlichting" via scholen, media, boeken, liturgie, etc. hebben verbreid.

Want als Van Kilsdonk s.J.Kilsdonk_2 (1917-2008) in 1962 hoofd wordt van de Studenten Ekklesia en zijn beroemde lezing houdt voor de Adelbertvereniging over kerkelijke gehoorzaamheid, dan is zijn vraag eigenlijk: ik wil af van de rechtsleer over gehoorzaamheid, en ruimte voor rechtsinterpretatie (CIC 1983/ c. 14-19)! Hier passen juridische zinnen uit de "Regulae Iuris" als "Nemo potest ad impossibele obligari" (Regulae Iuris 6) en "Lex non obligat cum gravi incommodo" (Commentaar Leuven op Boek I, 92 zonder bron).

Maar de persoon die deze rechtsinterpretatie kón uitdragen, Piet Huizing s.J. (1911-1995), was te vaak op de Gregoriana. En hij was niet in staat aan zijn confraters te laten zien dat er voortgang was in de rechtsinterpretatie. Dat ná de rechtsinterpretatie van het "rechtsloze" tijdperk van 1959-1983 zeer zeker ook ontwikkelingen kwamen in de verhouding tot de rechtsleer van de hiërarchie, het "lex orandi, lex credendi" en het Religieuzenrecht e.a.. Het moet in deze periode ook zijn geweest, dat men terecht een exegese op oefening 365 is gaan toepassen over de "kadaverdiscipline" in de Orde ("het wit dat ik zie op gezag zwart is"). De Spaanse Ignatius had het undertatement van Erasmus niet begrepen ten aanzien van de gezindheid in de Kerk ("zónder na te denken de Paus volgen"), en Hollanders hadden dit onbegrip voorheen letterlijk overgenomen. Het was Paul Begeyn s.J., die mij hierop attent maakte aan de hand van één van zijn artikelen in de Heraut. Ik was hem zeer dankbaar! Toen ik later Penning op zijn nummer wilde zetten, bleek hij de relatie Erasmus en Ignatius in één van die twee mooie boeken te hebben verwerkt. Waarom mag men iets dergelijks niet in een voetnoot vermelden? (Aan de bronnen, pag. 40 en noot 23).

Hier komen we dan ook op een essentieel kenmerk van Verlicht denken: er wás geen respect meer voor de kerkorde. Het was de "Geest", die iets nieuws zou brengen. "Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw!"Oosterhuis  En discussies over inhoudelijke verwoording van de volkstaalliturgie worden niet teruggekoppeld naar het geloof ; het "lex orandi, lex credendi" van c. 750, de celibaatsdiscussie, het wegvallen van het "mysterium tremendum et fascinosum". Ik zal wat voorbeelden geven, maar tevens de verinnerlijkte reacties:

-Een bekende zin van Van Kilsdonk over Lucas en de 72: "Neem geen geldbeurs mee, geen reiszak, geen schoeisel: dát is een heel wat hachelijker vraagstuk dan het celibaat!" is gewoon Verlichting…

- De wijze Pater Dr. P. Eikenboom uit het voormalige Aloysiushuis in Den Haag, die leefde in de wortels van de Patristiek en Patrologie, zei tegen de "rebellen van Amsterdam: "Natuurlijk geef ik jou de ruimte tot uittreden, maar dan hoef ík dat toch nog niet te doen?" En dat laatste was verinnerlijking en een vorm van "innerdirected katholicisme", dat ik aldoor centraal heb gesteld.

-Nóg een anecdote: Huub Oosterhuis   gooide ná de H. Mis het Bloed in de wasbak, en kreeg daarmee een aanvaring met de Broeder van de Sacristie. De Overste gaf Oosterhuis gelijk, waarop de Broeder iedere keer als hij langs de wasbak liep een kniebuiging maakte. Weer "innerdirectedness" als reactie op Verlichting.

Maar dan tot slot nog dit: in de afgelopen jaren heeft de orde in Nederland een veel degelijker aangezicht gekregen. Men heeft een "Corebusiness" toegepast in vestigingen en aandachtspunten; er is in brede lagen sprake van een gematigde herbronning van spiritualiteit’; men is weer duidelijk over de inhoud en beleving van de celibaatsbelofte; de rechtsinterpretatie wordt beter verstaan. Hierop moet vanuit de aangegeven wet van de kerkgeschiedenis geleidelijk aan groei volgen! Het is echter een illusie te denken, dat de wonden die in de periode 1950-2007 zijn veroorzaakt geheel geheeld zijn.


By on 18:29
DEEL III: ROLDUC, JEZUÏETEN, BISSCHOPPEN EN PAUS.

Het diocesane seminarie voor de opleiding van wereldheren, is door het herstel van de hiërarchie een product van Trente (16e eeuw). Het is waar dat in Duitstalige gebieden ook convicten voorkomen, maar dat is slechts een klein deel van de gehele Kerk. Ik heb er trouwens op gewezen, dat Jedin en Iserloh ten aanzien van Rolduc herhaaldelijk vergelijkingen trokken tussen Vaticanum II (1962-1965)Vaticanum_ii  met het 16e eeuwse Trente, en niet de 19e eeuwse Romantiek. Want in die 16e eeuw ‘en de 20e eeuw gingen de oprichting van een priesterseminarie, en het herstel van de macht van de locale Bisschop samen. Op Rolduc waren ook de religieuzen, de Jezuïeten.Jezueten Door de inbreng van de Jezuïeten Penning de Vries s.J. en Haye van der Meer s.J. had het seminarie van het Bisdom Roermond een duidelijk Jezuïetisch karakter. En door het internationale karakter van die Jezuïeten keek men ook verder dan het lokale Bisdom.

Ik heb hieronder niet gezegd, dat de Jezuïeten in het Rationalisme van de 20e eeuw eigenlijk niet meer bestonden. Als men echter kijkt naar de problematieken waarmee men heeft  geworsteld, scheelt het toch niet veel……Maar voor een 2e keer volgde een conservatieve "Neo-Romantiek" als antwoord (1e keer: t.t.v. Roothaan, én de 2e reactie op de periode 1950-2000).

Ten laatste herinner ik me nog mijn ontmoeting met de vorige Paus, die me als een van de weinige hooggeplaatste mensen recht in de ogen aankeek.C11982_12  Ik was magerder omdat ik nog geen medicijnen slikte, maar zijn blik staat me nog steeds bij: Simonis stelde mij voor als student van Rotterdam, en ik zag de Paus – die zich rond 1980 toch zéér intens met de Nederlandse kerkprovincie had beziggehouden – denken: "Kan jij dat wel?" Ik wist tóen nog niet, dat me nog een heel gevecht te wachten stond. En wie vermoedt, op één persoon na, bij één mens méér mensenkennis, dan een hele leiding van een Bisdom en een seminarie? Deze man had een glashelder strategisch verstand!

Een laatste opmerking: ik heb alle paragrafen onderverdeeld onder de noemer "Rolduc". Dit is te herleiden uit de bovenstaande inleiding. Want Rolduc associeer ik direct met Jezuïeten, een diocesaan seminarie, Bisschoppen, een Paus, e.a..


By on 18:26
DEEL II Paragraaf III: “R.K. Veiligheidsdienst (1969-Heden)”.

De jaren ’70 zijn ambivalent. Van de ene kant was er ná die periode van Verzuiling (1919-1968) een niet-gekende vrijheid. Van de andere kant sloegen katholieken in een paar jaar tijd van het ene uiterste door in het andere. Werd de eerste periode gezien als "Verzuiling, pacificatie en kentering" (A. Lijphart, 1968), en later werd het "Ontzuiling, politisering en restauratie" (C. Middendorp, 1979). Was het dat men de "Verzuiling" kon zien als een conservatief Romanticisme, de "Politisering" is Rationalisme. Het belangrijkste verschil zat hem in de termen "pacificatie" (van Lijphart) en "politisering" (van Middendorp), want in de jaren 1919-1967 stemde iedere katholiek blindelings KVP. Maar ná de "Nacht van N. Schmelzer" (1966-’67) was iedere katholiek vrij goed gedocumenteerd wáárom men een bepaalde partij stemde. En de school van de paters SCJ waarop ik zat (1972-1978), deed daaraan actief mee.  Politieke bewustwording was immers een deel van het onderwijs geworden! Er waren gespreksmomenten, we verzamelden posters van partijen, de wereld leek "maakbaar", en men voerde actie!, etc..

Men geloofde in een nieuwe wereld. Ook al zei een plaatselijk VVD-politicus, die me voortdurend op het gevaar van internationale organisaties wees, eens tegen me: "Als je jong bent en je voelt geen onrecht, heb je geen hart. Als je oud bent en je blijft erin steken, heb je geen verstand!"  En ik wist nadien heel goed, wáár mijn ontgoocheling zat: ik bereidde met een vriendinnetje een demonstratie voor in Den Haag, en er kwam een oudere man van de CPN bij het gesprek. Laat die man nu nét alles hebben, wat wíj niet konden betalen maar wat onvoorwaardelijk nodig was voor het goed laten verlopen van de demonstratie! En hij was zó opdringerig, dat ik hem fundamenteel begon te wantrouwen…….Ik dacht terug aan de oudere VVD-er, en begon rond mijn 17e zowaar in het bestaan van veiligheidsdiensten te gelovenVeiligheidsdienst . En dan met name de infiltratie van die diensten in kringen, waar mensen alleen ten onrechte op hun "gevoel" afgingen en niet hun "verstand".

Het was voor mij het begin van het einde van een onvoorwaardelijk geloof in een "linkse politiek", want ik was ervan overtuigd dat deze man betaald werd. Jaren later toen het IKV blindelings in Nederland werd nagevolgd "over oorlog en vrede" (1983), was mijn naïviteit volledig verdwenen! Ik geloofde niet meer in de "betere wereld", omdat er altijd een categorie is die tot fundamenteel kwaad in staat is……Want het Oostblok infiltreerde heel bewust in “zwevende kringen”, om chaos te creëren in de NAVO…….

Maar ze zaten oók in de Kerk…. ik ben er zelf achtergekomen; veiligheidsdiensten zitten namelijk overal! Natuurlijk geloof ik in vele goede initiatieven van gelovige mensen. Maar óók, dat er een soort "veiligheidsdiensten" zónder binding aan het officiële recht in de R.K. Kerk zitten; groeperingen van mensen, die doelbewust spelen met macht! Mensen ook die andere mensen doorlopend op rechtsartikelen wijzen, maar zichzélf er in vergelijkbare situaties niet aan houden.

Het juridische kenmerk van Dom_van_utrecht "de groep van Utrecht", is een gemeenschappelijke structurering van kerkelijk recht. De reeds aangehaalde priesters C. Mennen en J. Hendriks hebben in hun kennis een beperkte integratie van Boek I van de Codex in de overige 6 delen. Elders heb ik al gezegd, dat "recht gewoon recht" was! Daarom ook hier een overzicht van meerdere wetboeken  o.b.v. die van 1983, waarin "gehoorzaamheid" centraal zou moeten staan maar waarin interpretatie beperkt aanwezig is.

Clusters, die ook een soort privilege tegenover de rechtsorde van de gehele Kerk hebben, want waarom zouden mensen die in het “hart” van een KerkprovincieCic_4 opereren zich kunnen onttrekken aan een juridisch statuut?  Een toekenning van een hoger gezag in de Kerk, openheid van notulen, transparantie bij het aannemen bij nieuwe leden, etc.?……..En ik wil beweren, dat het centrum van de Nederlandse Kerk gemanipuleerd wordt door een soort “Rooms Katholieke Veiligheidsdienst” met vertakkingen en hechte netwerken in het Vaticaan. Het is een doelbewust gekozen bolwerk rondom een overleden Hulpbisschop Th. Hendriksen, dat als element van de conservatieve "Neo-Romantiek" zich afzet tegen het Neo-Rationalisme. Niets nieuws! In iedere periode waarin katholieke Nederlanders verschillende belangen ten aanzien van Rome hebben, komt dit voor. Maar het wel opvallend, dat de conservatieve krachten altijd de meest effectieve krachten hebben……

Ik spreek ten eerste hierboven concreet over onder meer het koppel Mgr. Th. Hendriksen (1907-2001) en Dr. Nelly Stienstra (1946-Heden). Dat is niet alleen gebaseerd op contacten die ik eertijds heb gehad. Maar vooral door het zoeken naar informatie van en over beide mensen vanuit mijn achtergrond in de informatiewetenschap. Daarmee bedoel ik autobiografisch materiaal, Google-afbeeldingen, openheid van een bepaalde canonieke structuur op internetwebsites, en de méér dan gangbare informatie voor de Pius-almanak, het feit dat Nelly Stienstra als Spaanse tolk bij menig Congregatie optrad, en ook als hoofd van de CRK altijd achter het beleid van de Bisschoppen staat, etc.. Voor zover ik kan zien, is alleen een enkele foto  en een nostalgisch autobiografisch boek van de Hulpbisschop op de markt. Maar vindt men daarin werkelijk relevante informatie?

Iets vreemds en kerkjuridisch niet controleerbaar was bijvoorbeeld met name altijd de halfjaarlijkse reis van Nelly Stienstra en Mgr. Th. Hendriksen naar Rome. De Hulpbisschop was al sinds 1969 jarenlang geen lid meer van de Bisschoppenconferentie, en alléén een normale Bisschop komt bij een Ad-Liminabezoek in Rome; emeriti hebben normaal gesproken helemaal geen contacten meer, maar deze twee mensen kwamen vrij eenvoudig bij kerkelijke organen in Rome binnen in de periode vanaf vermoedelijk 1969-2001. Hiermee zet men het 5-jaarlijkse beleid van de Bisschoppenconferentie buitenspel! In een periode dat er nog geen ad limina’s waren, moet men eens iets vergelijkbaars lezen in de strategie van de conservatieve Bisschop De Broglie ten aanzien van de "trias politica" in het Gent in het België aan het begin van de 19e eeuw, dat in die periode nog onder Willem I van Nederland behoorde. De Brogle heeft zeer intensief in Rome met contacten gewerkt.

De Bisschop is een publieke figuur geweest, met een duidelijke kerkhistorische cesuur; hij is in 1957 Vicaris-Generaal geworden van Kardinaal B. Alfrink, en van 1961-1969 was hij Hulpbisschop.Stienstra_2 Om  hoogstwaarschijnlijk kerkpolitieke redenen heeft hij daarvan in 1969 afstand genomen, precies ten tijde van het Pastoraal Concilie (1968-1970). En dat zijn situaties, die héél veel medianieuws opleveren! Tien tegen één, dat die er ook is maar niet wordt gepubliceerd! En van de ándere kant: Mw. Nelly Stienstra komt meerdere keren op televisie, verzorgt een blad met veel anonieme "poppetjes" voor het CRK, en is zeer spaarzaam in het verstrekken van foto’s . En naar mijn mening  zit er een strategie achter! Net zo goed als dat er een strategie achter zit, dat het koppel Hendriksen-Stienstra  een Rome-getrouwe groepering in hetzelfde huis heeft aan de Nieuwe Gracht in Utrecht. Waar een "kweekvijver" is geweest voor inmiddels drie Bisschoppen? Dat kán niet anders dan door de invloed van de Hulpbisschop, en zijn huisgenote die – zoals gezegd – vloeiend Spaans spreekt en daarmee als tolk kon fungeren bij Romeinse Congregaties.

Ik noem de namen:(1)Punt_emboss80   Jos Punt (1995-2009, Hulpbisschop 1995-2001), (2) Gerard de Korte (2001),  (3) Wim Eijk, (1999, 2008 aartsbisschop). Ik wijs nu reeds op de toekomst: als Van Luyn binnenkort weggaat, zijn er volgens mij drie kandidaten: (1) De huidige Vicaris-Generaal Dr. Dick Verbakel, die met zijn psychologische blik op de geestelijke gezondheid op de clerus inhoudelijk invloed heeft op het beleid van Rotterdam (2) Dr. Ad van der Helm, superdeken van de Parkstraat in Den Haag waarover we hebben gezegd dat hij invloedrijk publiceert over de nieuwe dekenale vormen en fusies. Tevens heeft hij nauw contact met Leuven. In deze beide eerste twee gevallen zal het beleid van superdekenaten van het duo Van Luyn-Verbakel voortgezet worden.

(3) Jan Hendriks. En de Veiligheidsdienst, waaronder niet in de laatste plaats de aartsbisschop, zal Jan Hendriks voordragen. Of er moet iets mis zijn met de laatste. Bij een beleid van Hendriks moet men geleidelijk aan denken aan het einde van de Rotterdamse DPC, besparingen op het personeel, een strict juridisch beleid in de lijn  van de Veiligheidsdienst, een einde aan het centrum voor opleiding van clerus in het Voorburgse Vronesteyn en een koppeling aan de Tiltenberg in De Zilk, een vergaande polarisatie, e.a.. Oorlog dus…..Als ik zowaar in deze impasse nuntius mocht zijn, koos ik voor iemand die buiten deze drie Rotterdamse priesters ligt. Ik zou net als bij de benoeming van Van Luyn kiezen voor een voormalige Secretaris-Generaal van de Kerkprovincie, en dat is de Jezuiet Professor Dr. E. Kimman s.J..

Want men mag dan op Rolduc beweren, dat het aan het Bisdom Roermond te danken is dat er 3 Bisschoppen zijn gekomen (Jos Punt 1995, Wim Eijk 1999,en Everard de Jong). In werkelijkheid moet men denken aan de invloed van de Hulpbisschop van Utrecht, die precies is overleden in het jaar van de benoeming van (ad 2) De Korte (2001)De_korte . Hij was dan ook tot nu toe de laatste van de 3 uit de groep van Utrecht. Want of er een relatie is geweest tussen Utrecht én de  benoeming van aartsbisschop Eijk in 2008 (ad 3) , betwijfel ik. Ook moet men de rol van de voormalige Bisschop van Roermond -Jo Gijsen- niet overschatten. Tevens zitten in deze groep andere  "romeinsgeoriënteerde intellectuelen", zoals: wederom Jan Hendriks, de steeds invloedrijkere kerkjurist  die ik bij het kerkelijk recht uitvoerig heb besproken en nog zal bespreken, enLaatste die tot de intimi van Mw. N. Stienstra behoort; zo ook de Bosche kerkjurist C. Mennen die zijn priestervakantie in georganiseerde priesterreizen het Haarlemse doorbrengt, en weinig rechtsinterpretatie van zijn seminaristen van Den Bosch leert; de exegeet rector Schnell van het Ariënsconvict die ook veelvuldig in de omgeving van Stienstra verkeert, en haar met name helpt bij de vertaling van kerkelijke documenten voor 1-2-1; en misschien de exegeet Ruud Gouw, e.a.,. Ook Ad van Luyn komt regelmatig bij Nelly Stienstra!  Maar dan niet als lid van de priesterclub.

Natuurlijk kan men deze opsomming als "kerkelijke roddel" beschouwen, maar de roddel is gefundeerd en iedere socioloog zal erkennen dat roddel vaak wezenlijke elementen van waarheid bevat. Koppelen we dit geheel nog eens een keer aan het model "Rationalisme en Romantiek", dan heeft in de strategie van de Hulpbisschop Mgr Th. Hendriksen volstrekt zeker een conservatieve "Neo-Romantiek" gelegen. En die strekking bestaat ook zónder de Bisschop nog: men kan zo’n opvallende verzameling van mensen, karakters, ambities, intelligentie e.a. niet los zien van de Bisschops eigen ervaring met het Rationalisme met de band Pistoia-Noordwijkerhout in 1969. Als ik in mijn inleiding en begin duidelijk over de strategische invloeden van ex-Rolduciëns heb gesproken, die als eerste zin tegen een andersdenkende gelovige zeggen "dat is niet Katholiek!", dan gaat het om deze groep. Laat ik bijvoorbeeld op zo’n stereotype voorbeeld wijzen als de Roermondse priester uit het Oosten van het land met de naam Alfons Woolderink……Alfons Woolderink zit altijd in luxueuze baantjes in de omgeving van de Bisschop van Haarlem en hoofd van het Militaire Ordinariaat. En de rest mag uzelf uitzoeken.

Maar hóe kan iemand nu voorzitter zijn van de kerkelijke vereniging CRK, die "de facto" vrijwel áltijd naast de Bisschoppen staat, en die tegelijkertijd "indirect "deel heeft" aan de Bestuursmacht" (vgl. de wordingsgeschiedenis van c. 129,2) als het heel concreet gaat om het contact met Bisschoppen en met Rome?  En hoe is het mogelijk, dat deze "indirecte bestuurder" haar rechtspositie ontleent in de persoon van een Spaanse tolk in Rome voor geprekken met Spaanstaligen? Wat heeft ze te zoeken bij de nuntius in Den Haag, in het bijzonder de Nieuwjaarsreceptie? Hier vindt een machtsconcentratie plaats, die volledig aan te vechten is; niet in de laatste plaats vanwege de defacto deelname aan de bestuursmacht. Die gaat volgens c. 129,2 niet verder dan "samenwerken"!  Maar nu stel ik een aanvullende vraag: er zitten 2 belangrijke juristen (J. Hendriks en C. Mennen) en 3 Bisschoppen (J. Punt, W. Eijk en G. de Korte) in deze groep, en inmiddels de aartsbisschop. Waarom krijgt deze groep geen canonieke structuur (b.v. c.298-329 en 321-326)?Cic_2_2   Ik heb daarbij al gewezen op een canoniek statuut, een rechtsgang, transparantie, het vastleggen van notulen,  e.a.. Want nú is die even ondoorzichtig als de macht die wordt uitgeoefend door één persoon (Bisschop/Paus), in de vorm van de uitvoerende, rechterlijke en wetgevende de macht! En dát is dan nog juridisch vastgelegd! Het is toch volslagen absurd, dat het hoofd van de kerkprovincie meer dan bevriend is met het hoofd van het CRK. En dat die 2 elkaar in één kwartier kunnen bereiken? Zeker als men ervan uit kan gaan, dat de doelbewuste positie (Kerkrade, Groningen) van Wim Eijk in de groep van de Nieuwe Gracht in Utrecht een regelrechte investering in zijn carrière is geweest?

Ik beweer hier dus nadrukkelijk, dat het hoofd van de CRK een onaanvaardbare juridische positie heeft, en dat de groep die in haar huis komt een juridische structuur moet hebben. Want bekijken we het eens andersom: het voormalige hoofd van de 8-mei, Henk Baars, kan géén functie krijgen in het Bisdom Haarlem; de huidige Bisschop Jos Punt en misschien ook Dr. Jan Hendriks, die beiden deel uitmaken van de groep van Stienstra, moeten die tegenhouden. En dat is meten met twee maten……

Mijn geloof in een eerlijke rechtsgang in de R.K. Kerk is door dit soort gegevens rondom een “r.k. veiligheidsdienst” ondermijnd. Want er vindt een rechtsonduidelijke verstrengeling van macht plaats. Het doet denken aan de "Neo-Romantieke" strekking van het Proefschrift van J.P. de Valk "Roomser dan de Paus? Studies over de betrekkingen tussen de Heilige Stoel en het Nederlands katholicisme 1815-1940" (1998), dat aangeeft dat Nederlandse- en Vlaamse Bisschoppen áltijd ongehoorzaam zijn geweest in de "Moderniteit", áltijd wetten voor anderen wisten te verzinnen, en ook heel bewust netwerken in Rome onderhielden. Ze hielden zich er alleen niet altijd zélf aan……..

Samenvatting:

Het is een groep "Romeinse intellectuelen", die men ook in de overgang van de Verlichting en de ondergang na de "Epocha Aurea" ná de "Neo-Romantiek" (1774-1950) tegen had kunnen komen. Het kerkelijk recht begint immers na de periode van 1959-1983 weer te bloeien, en gelovigen accepteren weer meer juridische richtlijnen. Maar bij de kring van Stienstra zijn het mensen, die zweren bij "recht en Kerk", maar het dan vooral bij kerkleer houden; niet de interpretatieCic_3 . En het is een ondoorzichtige gemeenschap, die vooral draait om "netwerken". Stienstra is een soort ""Koningin" met een gehele groep "mannetjesbijen" om haar heen. Ik zou nog meer kunnen vertellen…..maar eindig met het devies: iemand die de ander de spiegel "katholiek" voorhoudt, blijft niet vrij van zelfkritiek. En katholiek wordt en ben je op grond van jouw Doopsel, en niets meer of minder.


By on 17:56